Beschaving van de Indusvallei

Joshua J. Mark
door , vertaald door Theo Poot
gepubliceerd op
Translations
Afdrukken PDF
Mohenjo-daro (by Andrzej Nowojewski, CC BY-SA)
Mohenjo-daro Andrzej Nowojewski (CC BY-SA)

De beschaving van de Indusvallei was een culturele en politieke entiteit die bloeide in het noordelijke deel van het Indiase subcontinent tussen ca. 7000 - ca. 600 v.Chr. De moderne naam is afgeleid van de ligging in de vallei van de Indus; andere benamingen zijn de Indus-Sarasvati-beschaving en de Harrapan-beschaving.

Deze laatste aanduidingen komen van de Sarasvati-rivier die naast de Indus stroomde en in Vedische bronnen wordt genoemd, en van de oude stad Harappa in deze regio, de eerste die in de moderne tijd is teruggevonden. Geen van deze namen is afkomstig van oude teksten, omdat de mensen van deze beschaving naar de meeste geleerden aannemen weliswaar een schriftsysteem ontwikkelden (bekend als Indusschrift of Harappaschrift), maar dit nog niet is ontcijferd.

Alle drie de aanduidingen zijn moderne constructies, en er is niets definitief bekend over oorsprong, ontwikkeling, achteruitgang en ondergang van deze beschaving. Toch heeft de moderne archeologie een waarschijnlijke chronologie en periodisering vastgesteld:

  • Pre-Harappa – ca. 7000 - ca. 5500 v.Chr.
  • Vroeg-Harappa – ca. 5500 - 2800 v.Chr.
  • Hoog-Harappa – ca. 2800 - ca. 1900 v.Chr.
  • Laat-Harappa – ca. 1900 - ca. 1500 v.Chr.
  • Post-Harappa – ca. 1500 - ca. 600 v.Chr.

De Indusbeschaving wordt tegenwoordig vaak vergeleken met de veel bekendere culturen van Egypte en Mesopotamië, maar dit is een vrij recente ontwikkeling. De ontdekking van de stad Harappa in 1829 n.Chr. was de eerste aanwijzing dat zo'n beschaving in India had bestaan; rond die tijd waren Egyptische hiërogliefen ontcijferd, Egyptische en Mesopotamische vindplaatsen opgegraven, en spijkerschrift zou spoedig worden vertaald door de geleerde George Smith (1840-1876). Archeologische opgravingen in de Indusvallei-beschaving begonnen daarom vergelijkenderwijs veel later, en men denkt nu dat veel van de prestaties en "primeurs" die aan Egypte en Mesopotamië worden toegeschreven, in werkelijkheid mogelijk zijn toe te schrijven aan de mensen van de Indusbeschaving.


DE TOTALE BEVOLKING VAN DE BESCHAVING WORDT GESCHAT OP MEER DAN 5 MILJOEN, EN HET GEBIED STREKTE ZICH UIT OVER MEER DAN 1.500 KM (900 MIJL) LANGS DE INDUS-RIVIER.

De twee bekendste opgegraven steden van deze cultuur zijn Harappa en Mohenjo-daro (gelegen in het huidige Pakistan), waarvan wordt aangenomen dat daar ooit tussen de 40.000 en 50.000 mensen woonden, wat verbazingwekkend is als men bedenkt dat de meeste oude steden gemiddeld 10.000 inwoners hadden. De totale bevolking van deze beschaving wordt geschat op meer dan 5 miljoen op een grondgebied dat zich uitstrekte uit over meer dan 1.500 km langs de oevers van de Indus en vervolgens in alle richtingen naar buiten. Beschavingslocaties van de Indusvallei zijn gevonden nabij de grens van Nepal, in Afghanistan, aan de kusten van India en rond Delhi, om er maar enkele te noemen.

Tussen ca. 1900 - ca. 1500 v.Chr. begon de beschaving om onbekende redenen te vervallen. In het begin van de vorige eeuw werd gedacht dat dit werd veroorzaakt door een invasie van lichtgetinte volkeren uit het noorden, bekend als de Ariërs, die een donkerhuidig volk zouden hebben onderworpen dat door westerse geleerden als Dravidiërs werd aangeduid. Deze bewering, bekend als de Aryan Invasion Theory, is weerlegd. De Ariërs – hun etniciteit wordt geassocieerd met die van de Iraanse Perzen – wordt nu aangenomen dat ze vreedzaam naar de regio zijn gemigreerd en zich cultureel hebben gemengd met de inheemse bevolking, terwijl de term Dravidisch nu wordt begrepen als verwijzing naar iedereen, ongeacht etniciteit, die een van de Dravidische talen spreekt.

Waardoor de Indusvallei-beschaving achteruitging en verviel is onbekend, maar wetenschappers vermoeden een verband met klimaatverandering, het uitdrogen van de Sarasvati-rivier, een verandering in het verloop van de moesson die de gewassen water gaf, overbevolking van de steden, een daling van de handel met Egypte en Mesopotamië, of een combinatie van een van bovenstaande factoren. Opgravingen zijn nog gaande op veel van de tot nu toe gevonden vindplaatsen; toekomstige vondsten zullen meer informatie kunnen geven over de geschiedenis en het verval van deze cultuur.

Ontdekking en eerste opgravingen

De symbolen en inscripties op artefacten van de Indusbeschaving, die door sommige geleerden als een schriftsysteem zijn geïnterpreteerd, zijn nog niet ontcijferd. Archeologen wagen zich daarom doorgaans niet aan definities van de herkomst van deze cultuur, omdat elke poging op speculatie zou berusten. Alles wat tot nu toe over deze beschaving bekend is, komt voort uit materieel bewijs dat op verschillende locaties is opgegraven. Het verhaal van de beschaving van de Indusvallei kan daarom het best worden verteld aan de hand van de ontdekking van de ruïnes ervan in de 19e eeuw.

James Lewis (beter bekend als Charles Masson, 1800-1853 n.Chr.) was een Britse soldaat die diende in de artillerie van het leger van de East India Company. In 1827 deserteerde hij, samen met een andere soldaat. Om ontdekking door de autoriteiten te vermijden, veranderde hij zijn naam in Charles Masson en begon toen aan een reeks reizen door India. Masson was een fervent numismatist (muntverzamelaar) die op allerlei aanwijzingen ook zelf oude vindplaatsen ging opgraven. Een van deze locaties was Harappa, dat hij in 1829 vond. Hij lijkt de locatie vrij snel te hebben verlaten na er een verslag van te hebben gemaakt in zijn aantekeningen, maar zonder kennis over de stichters van deze stad schreef hij deze ten onrechte toe aan Alexander de Grote tijdens diens veldtochten in India rond 326 v.Chr.

Map of the Indus Valley Civilization, c. 3300-1300 BCE
Kaart van de Indusbeschaving, ca. 3300-1300 v.Chr. Simeon Netchev (CC BY-NC-ND)

Toen Masson na zijn avonturen terugkeerde naar Groot-Brittannië (en zijn desertie hem op de een of andere manier was vergeven), publiceerde hij in 1842 zijn boek Narrative of Various Journeys in Balochistan, Afghanistan and the Punjab, dat de aandacht trok van de Britse autoriteiten in India en vooral van de Britse ingenieur Cunningham. Deze Sir Alexander Cunningham (1814-1893) had een passie voor oude geschiedenis en richtte in 1861 na Christus de Archaeological Survey of India (ASI) op, een organisatie die zich toelegde op het handhaven van een professionele standaard bij het opgraven en de preservatie van historische locaties. Cunningham begon met opgravingen van de vindplaats en publiceerde zijn interpretatie in 1875 (waarbij hij het Indusschrift identificeerde en benoemde), maar deze was onvolledig en vaag omdat het verhaal van Harappa op zichzelf stond zonder enige connectie met een reeds bekende vroegere beschaving die aan de wieg ervan heeft gestaan.

In 1904 werd een nieuwe directeur van de ASI aangesteld, John Marshall (1876-1958), die later een bezoek bracht aan Harappa en concludeerde dat dit de locatie was van een nog onbekende oude beschaving. Hij gaf opdracht de vindplaats volledig op te graven en hoorde ongeveer tegelijkertijd van een andere locatie enkele kilometers verderop, die door de lokale bevolking Mohenjo-daro ("de heuvel der doden") werd genoemd vanwege de mensen- en dierenbotten die daar waren gevonden, samen met diverse artefacten. Opgravingen bij Mohenjo-daro begonnen in het seizoen 1924-1925 en de overeenkomsten tussen de twee vindplaatsen werden vastgesteld; de beschaving van de Indusvallei was ontdekt.

Harappa en Mohenjo-daro

De hindoeïstische teksten die bekendstaan als de Veda's waren evenals andere grote werken uit de Indiase traditie zoals de Mahabharata en Ramayana al goed bekend bij westerse geleerden, zonder dat zij echter wisten welke beschaving deze teksten had gecreëerd. Systemisch racisme uit die tijd verhinderde dat zij de werken aan het Indiase volk toeschreven, en dit leidde aanvankelijk tot de conclusie dat Harappa een kolonie was van de Soemeriërs van Mesopotamië of wellicht een Egyptische buitenpost.

Harappa
Harappa Muhammad Bin Naveed (CC BY-SA)

Harappa paste echter niet bij de Egyptische of de Mesopotamische architectuur, gezien het ontbreken van enig bewijs van het bestaan van tempels, paleizen, andere monumentale bouwwerken, namen van koningen of koninginnen, steles of koninklijke beelden. De stad besloeg 150 hectare kleine, bakstenen huizen met platte daken van klei. Er was een citadel, er waren muren, de straten waren in een rasterpatroon aangelegd wat duidelijk een bewijs van hoogontwikkelde stedelijke planning aantoonde en bij het vergelijken van de twee locaties was het voor de opgravers duidelijk dat ze te maken hadden met een zeer geavanceerde cultuur.

Huizen in beide steden hadden spoeltoiletten, een rioleringssysteem en voorzieningen aan weerszijden van de straten maakten deel uit van een uitgebreid afwateringssysteem, dat zelfs geavanceerder was dan dat van de vroege Romeinen. Apparaten die uit Perzië bekend waren als "windvangers" waren aan de daken van sommige gebouwen bevestigd als 'airconditioning' voor het huis of kantoor, en in Mohenjo-daro was er een groot openbaar bad op een binnenplaats, met trappen die naar beneden leidden.

Bij elke nieuwe opgraving kwam dezelfde mate van verfijning en vaardigheid naar voren, wat de notie bevestigde dat al deze steden vooraf waren gepland. In tegenstelling tot steden van andere culturen, die meestal uit kleinere, landelijke gemeenschappen waren ontstaan, waren de steden van de Indusvallei-beschaving doordacht, en elke locatie daarvan geselecteerd en doelbewust bebouwd voorafgaand aan volledige bewoning. Bovendien vertoonden ze stuk voor stuk conformiteit aan één visie, wat nog een verwijzing was naar een sterke centrale overheid met een efficiënte bureaucratie die in staat was dergelijke steden te plannen, te financieren en te bouwen. Wetenschapper John Keay merkt op:


Wat al deze pioniers verbaasde, en wat het kenmerkende karakter blijft van de enkele honderden Harappaanse vindplaatsen die nu bekend zijn, is hun schijnbare gelijkenis: "Onze overweldigende indruk is die van culturele uniformiteit, zowel gedurende de eeuwen waarin de Harappaanse beschaving floreerde, als over het uitgestrekte gebied dat zij bezette." De alomtegenwoordige bakstenen, bijvoorbeeld, hebben allemaal gestandaardiseerde afmetingen, zoals ook de stenen kubussen die de Harappans gebruikten om gewichten te meten standaard zijn en gebaseerd op het modulaire systeem. Wegbreedtes voldoen aan een vergelijkbare maatvoering; straten zijn dus doorgaans twee keer zo breed als zijbanen, terwijl de hoofdwegen twee of anderhalf keer zo breed zijn als straten. De meeste tot nu toe uitgegraven straten zijn recht en lopen noord-zuid of oost-west. Stadsplannen volgen daarom een regelmatig rasterpatroon en lijken deze indeling gedurende verschillende bouwfasen te hebben behouden. (9)

Opgravingen op beide locaties gingen door tussen 1944 en 1948 onder leiding van de Britse archeoloog Sir Mortimer Wheeler (1890-1976), wiens raciaal gekleurde ideologie het hem moeilijk maakte te accepteren dat mensen van kleur deze steden hadden gebouwd. Toch slaagde hij erin de stratigrafie voor Harappa vast te stellen en legde hij de basis voor de latere periodisering van de Indusvallei-beschaving.

Great Bath, Mohenjo-daro
Grote baden, Mohenjo-daro Benny Lin (CC BY-NC)

Chronologie

Wheelers werk bood archeologen de middelen om bij benadering dateringen te herkennen aan de fundamenten van de beschaving tijdens haar achteruitgang en ondergang. De chronologie is, zoals opgemerkt, voornamelijk gebaseerd op fysiek bewijs van Harappaanse vindplaatsen, maar ook op kennis van hun handelscontacten met Egypte en Mesopotamië. Lapis lazuli, om maar één handelsartikel te noemen, was enorm populair in beide culturen en hoewel geleerden wisten dat het uit India kwam, wisten ze niet precies waar vandaan totdat de Indusvallei-beschaving werd ontdekt. Hoewel deze halfedelsteen na de val van de Indusvallei-beschaving nog steeds werd geïmporteerd, is het duidelijk dat een deel van de export aanvankelijk uit deze regio kwam.

  • Pre-Harappa – ca. 7000 - ca. 5500 v.Chr.: De neolithische periode wordt het best geïllustreerd door vindplaatsen als Mehrgarh, die bewijs tonen van landbouwontwikkeling, domesticatie van planten en dieren en productie van gereedschappen en keramiek.
  • Vroeg Harappa – ca. 5500-2800 v.Chr.: Handel stevig gevestigd met Egypte, Mesopotamië en mogelijk China. Havens, dokken en pakhuizen die nabij waterwegen werden gebouwd door gemeenschappen die in kleine dorpen woonden.
  • Hoog Harappa – ca. 2800 - ca. 1900 v.Chr.: Bouw van de grote steden en wijdverbreide verstedelijking. Harappa en Mohenjo-daro bloeien beide rond 2600 v.Chr. Andere steden, zoals Ganeriwala, Lothal en Dholavira, zijn volgens dezelfde modellen gebouwd en deze gebiedsontwikkeling gaat door met de bouw van honderden andere steden totdat er meer dan 1.000 steden zijn, verspreid over het gebied in alle richtingen.
  • Laat Harappa – ca. 1900 - ca. 1500 v.Chr.: Neergang van de beschaving die samenviel met een migratiegolf van het Arische volk uit het noorden, waarschijnlijk het Iraanse plateau. Fysiek bewijs suggereert een klimaatverandering die overstromingen, droogte en hongersnood veroorzaakte. Een verlies van handelsrelaties met Egypte en Mesopotamië is ook als een bijdragende oorzaak genoemd.
  • Post Harappa – ca. 1500 - ca. 600 v.Chr.: De steden zijn verlaten en de inwoners naar het zuiden verhuisd. De beschaving is al ondergegaan tegen de tijd dat Cyrus II (de Grote, r. ca. 550-530 v.Chr.) India binnenvalt in 530 v.Chr.
Harappan Civilization (Artist's Impression)
Harappabeschaving (artistieke impressie) Amplitude Studios (Copyright)

Beschavingsaspecten

De inwoners lijken voornamelijk ambachtslieden, boeren en kooplieden te zijn geweest. Er is geen bewijs van een staand leger, er zijn geen paleizen en tempels. Men gelooft dat het Grote Bad in Mohenjo-daro werd gebruikt voor rituele zuiveringsrituelen gerelateerd aan een religieus geloof, maar dit is speculatie; het kan net zo goed een openbaar zwembad voor recreatie zijn geweest. Elke stad lijkt haar eigen bestuurder te hebben gehad, maar er zijn speculaties dat er een vorm van gecentraliseerd bestuur moet zijn geweest om de uniformiteit van de steden te bereiken. John Keay merkt op:


Harappaanse gereedschappen, gebruiksvoorwerpen en materialen bevestigen deze indruk van uniformiteit. Zonder kennis van ijzerbewerking – dat in het derde millennium v.Chr. nergens bekend was – sneden, schraapten, facetteerden en boorden de Harappanen er met 'moeiteloze bekwaamheid' op los met gebruik van een gestandaardiseerde gereedschapskist gemaakt van chert, een soort kwarts, of van koper en brons, samen met goud en zilver de enige beschikbare metalen. Deze werden ook gebruikt voor het gieten van vaten en beeldjes en voor het vervaardigen van een variëteit aan messen, vishaken, pijlpunten, zagen, beitels, sikkels, spelden en armbanden. (10)

Onder de duizenden artefacten die op de verschillende vindplaatsen zijn gevonden, bevinden zich kleine zeepstenen zegels van iets meer dan 3 cm in doorsnede, door archeologen geïnterpreteerd als 'tokens' voor persoonlijke identificatie in de handel. Net als bij de cilinderzegels van Mesopotamië wordt aangenomen dat deze zegels werden gebruikt om contracten te ondertekenen, landverkopen te autoriseren en herkomst, verzending en ontvangst van goederen over lange afstand te authenticeren.

Unicorn Seal - Indus Script
Eenhoorn-zegel - Indus-schrift Mukul Banerjee (Copyright)

De bevolking had het wiel ontwikkeld, karren getrokken door vee, platbodemvaartuigen die breed genoeg waren om handelsgoederen te vervoeren, en mogelijk ook het zeil. In de landbouw begrepen en maakten zij gebruik van irrigatietechnieken en kanalen, diverse landbouwgereedschappen, en richtten zij verschillende gebieden voor veeteelt en gewassen in. Vruchtbaarheidsrituelen werden mogelijk onderhouden bij een volledige oogst evenals bij zwangerschappen van vrouwen, zoals blijkt uit een aantal mensfiguurtjes, amuletten en vrouwenbeeldjes. Men denkt dat de mensen misschien een moedergodin vereerden, wellicht samen met een mannelijke godin-gemaal, afgebeeld als een gehoornde figuur in het gezelschap van wilde dieren. De religieuze overtuigingen van deze beschaving zijn echter onbekend en alle suggesties zijn noodzakelijkerwijs speculatief.

Hun artistieke vaardigheid blijkt uit talrijke vondsten van beelden, zeepstenen zegels, keramiek en sieraden. Het beroemdste kunstwerk is het bronzen beeldje, 10 cm hoog, dat bekend staat als het Dansmeisje, in 1926 gevonden in Mohenjo-daro. Het stuk toont een tienermeisje, rechterhand op haar heup, linkerhand op haar knie, met de kin omhoog alsof ze de aanspraken van een vrijer beoordeelt. Een even indrukwekkend stuk is een speksteenfiguur, 17 cm hoog, bekend als de Priester-Koning, waarop een bebaarde man met een hoofdtooi en een sierlijke armband wordt afgebeeld.

Dancing Girl of Mohenjo-daro
Danseres van Mohenjo-daro Joe Ravi (CC BY-SA)

Een bijzonder interessant aspect van de kunst is het uiterlijk van wat lijkt op een eenhoorn, op meer dan 60 procent van de persoonlijke zegels. Er zijn veel verschillende afbeeldingen gebruikt op deze zegels, maar zoals Keay opmerkt, verschijnt de eenhoorn op "1156 zegels en verzegelingen van in totaal 1755 vondsten op Hoog Harappa-vindplaatsen" (17). Hij merkt ook op dat de zegels, ongeacht welk beeld erop verschijnt, ook markeringen hebben die zijn geïnterpreteerd als Indusschrift, wat suggereert dat het "schrift" een andere betekenis overbrengt dan het beeld. De "eenhoorn" kon mogelijk de familie, clan, stad of politieke affiliatie van een individu vertegenwoordigen en het "schrift" iemands persoonlijke informatie.

Neergang en Arische invasietheorie

Zoals er geen definitief antwoord is op de vraag wat de zegels waren, wat de "eenhoorn" vertegenwoordigde, of hoe de bevolking zijn goden vereerde, is er ook geen verklaring waarom de cultuur achteruitging en verdween. Tussen ca. 1900 - ca. 1500 v.Chr. werden de steden geleidelijk verlaten en trok de bevolking naar het zuiden. Zoals opgemerkt, zijn er verschillende theorieën hierover, maar geen daarvan is volledig bevredigend. Volgens één droogde rond 1900 v.Chr. de Gaggar-Hakra-rivier op, die met behulp van Vedische teksten wordt geïdentificeerd als de Sarasvati-rivier die naast de Indus liep, waardoor een grote verhuizing nodig werd van de mensen die ervan afhankelijk waren. Significante zandvorming op locaties zoals Mohenjo-daro wijst op grote overstromingen, wat als een andere oorzaak wordt genoemd.

Priest-king from Mohenjo-daro
Priester-koning van Mohenjo-daro Mamoon Mengal (CC BY-SA)

Een andere mogelijkheid is een terugval in de uitwisseling van noodzakelijke handelsgoederen. Zowel Mesopotamië als Egypte hadden in diezelfde periode problemen die tot een aanzienlijke verstoring van de handel hebben kunnen leiden. De Laat Harappa-periode komt ruwweg overeen met de Midden-Bronstijd in Mesopotamië (2119-1700 v.Chr.), waarin de Soemeriërs – de belangrijkste handelspartners van de bewoners van de Indusvallei – bezig waren de Gutische indringers te verdrijven en tussen ca. 1792-1750 v.Chr. de Babylonische koning Hammurabi hun stadstaten veroverde bij het consolideren van zijn rijk. In Egypte komt deze periode overeen met het laatste deel van het Middenrijk (2040-1782 v.Chr.), toen de zwakke 13e dynastie regeerde vlak voor de komst van de Hyksos en het verlies van macht en gezag door de centrale regering.

De verklaring die geleerden uit het begin van de 20e eeuw na Christus aangrepen, bevatte echter alleen de bewering dat de Indusvallei was veroverd en de bewoners naar het zuiden verdreven door een invasie van een superieur ras van lichtgetinte Ariërs.

Aryaanse invasietheorie

Toen Wheeler de vindplaatsen opgroef, waren Westerse geleerden al meer dan 200 jaar bezig met het vertalen en interpreteren van de Vedische literatuur van India, en zij ontwikkelden in die tijd de theorie dat het subcontinent op een gegeven moment was veroverd door een lichtgekleurd ras, bekend als de Ariërs, die daarmee een hoge cultuur in het hele land vestigden. Deze theorie ontwikkelde zich geleidelijk en aanvankelijk onschuldig met de publicatie in 1786 van een werk van de Anglo-Welshe filoloog Sir William Jones (1746-1794). Jones, een fervent lezer van het Sanskriet, merkte op dat er opmerkelijke overeenkomsten waren tussen deze en de Europese talen en stelde dat er voor al deze talen een gemeenschappelijke bron moest zijn; hij noemde deze bron Proto-Indo-Europees.

Latere westerse geleerden, die probeerden Jones' "gemeenschappelijke bron" te identificeren, concludeerden dat een lichtgekleurd ras uit het noorden – ergens rond Europa – de zuidelijke landen, met name India, had veroverd, er hun cultuur had gevestigd en hun taal en gebruiken had verspreid, hoewel er geen objectief bewijs was dat deze opvatting kon ondersteunen. Een Franse elitaire schrijver genaamd Joseph Arthur de Gobineau (1816-1882) populariseerde deze opvatting in zijn werk An Essay on the Inequality of the Human Races (Verhandeling over de ongelijkheid van de menselijke rassen) uit 1855 en stelde dat 'superieure', lichtgekleurde rassen "Arisch bloed" hadden en van nature geneigd waren over mindere rassen te heersen.


DE VROEGE IRANIËRS IDENTIFICEERDEN ZICHZELF ALS ARIËRS, WAT "NOBEL" OF "VRIJ" OF "BESCHAAFD" BETEKENT, TOTDAT HET EUROPESE RACISTEN DE NAAM CORRUMPEERDEN OM HUN EIGEN AGENDA TE DIENEN.

Gobineau's boek werd bewonderd door de Duitse componist Richard Wagner (1813-1883), wiens in Groot-Brittannië geboren schoonzoon, Houston Stewart Chamberlain (1855-1927), deze opvattingen verder populariseerdee in zijn werk, wat uiteindelijk invloed zou hebben op Adolf Hitler en op de architect van de nazi-ideologie Alfred Rosenberg (1893-1946). Deze racistische opvattingen kregen verdere geldigheid door een Duitse filoloog en geleerde die ze zelf echter niet deelde: Max Müller (1823-1900), de zogenaamde "auteur" van de Arische invasietheorie, die in al zijn werk echter volhield dat Arisch te maken had met een taalkundige tegenstelling en helemaal niets met etniciteit.

Het maakte echter nauwelijks uit wat Muller zei, want tegen de tijd dat Wheeler in de jaren '40 de vindplaatsen aan het opgraven was, hadden mensen deze theorieën al meer dan 50 jaar samen met de tijdgeest geïnhaleerd. Het zou nog decennia duren voordat een meerderheid van geleerden, schrijvers en academici begon te erkennen dat 'Ariër' oorspronkelijk verwees naar een klasse – die niets met ras te maken had – en, in de woorden van de archeoloog J. P. Mallory, "als etnische aanduiding is het woord [Arisch] het meest terecht beperkt tot de Indo-Iraniërs" (Farrokh, 17). De vroege Iraniërs identificeerden zichzelf als Arisch, wat "edel" of "vrij" of "beschaafd" betekent, en die term bleef meer dan 2000 jaar in gebruik totdat deze door Europese racisten werd gecorrumpeerd om hun eigen agenda te dienen.

Wheelers interpretatie van de vindplaatsen werd eerst gestuurd door de Arische invasietheorie en bevestigde deze vervolgens. De Ariërs werden al erkend als auteurs van de Veda's en andere werken, maar hun chronologie in de regio was te laat om de bewering te ondersteunen dat zij de indrukwekkende steden hadden gebouwd; misschien hadden ze ze echter vernietigd. Wheeler was natuurlijk net zo goed op de hoogte van de Aryan Invasion Theory als elke andere archeoloog uit die tijd en interpreteerde door deze bril zijn vondsten als ondersteuning daarvan; zo bevestigde hij de theorie die vervolgens won aan populariteit en acceptatie.

Conclusie

De Aryan Invasion Theory, hoewel nog steeds geciteerd en gepromoot door mensen met een racistische agenda, verloor in de jaren zestig aan geloofwaardigheid door het werk van de Amerikaanse archeoloog George F. Dales, die Wheelers interpretaties beoordeelde, de vindplaatsen bezocht en geen bewijs vond ter ondersteuning. De skeletten die Wheeler had geïnterpreteerd als bewijzen van een gewelddadige dood in de strijd vertoonden geen van dergelijke tekenen, noch vertoonden de steden enige schade die met oorlog te maken had.

Bovendien was er geen bewijs van enige vorm van mobilisatie van een groot leger uit het noorden, noch van een verovering rond 1900 v.Chr. in India. De Perzen – de enige etniciteit die zichzelf als Arisch identificeerde – waren zelf een minderheid op het Iraanse plateau tussen ca. 1900 - ca. 1500 v.Chr. en niet in staat om een invasie van welke aard dan ook te organiseren. Er werd daarom gesuggereerd dat de "Arische invasie" waarschijnlijk een migratie was van Indo-Iraniërs die vreedzaam samensmolten met de inheemse bevolking van India, met elkaar trouwden en in de cultuur werden opgenomen.

Naarmate de opgravingen van de vindplaatsen van de Indusvallei-beschaving doorgaan, zal meer informatie ongetwijfeld bijdragen aan een beter begrip van haar geschiedenis en ontwikkeling. De erkenning van de enorme prestaties van de cultuur en het hoge niveau van technologie en verfijning komt steeds verder aan het licht en krijgt steeds meer aandacht. Wetenschapper Jeffrey D. Long uit het algemene gevoel en schrijft: "er is veel fascinatie voor deze beschaving vanwege haar hoge technologische ontwikkeling" (198). De Indusvallei-beschaving wordt al beschouwd als een van de drie grootste uit de Oudheid, naast Egypte en Mesopotamië, en toekomstige opgravingen zullen haar status vrijwel zeker nog verhogen.

Vragen en antwoorden

Is de Indusbeschaving de oudste ter wereld?

De Indusbeschaving is een van de oudste beschavingen ter wereld, samen met die van Mesopotamië en Egypte.

Waardoor is de Indusbeschaving beroemd?

De Indusbeschaving is beroemd om grote steden als Harappa die urbane centra met een hoge technologische ontwikkeling en cultuur waren.

Wanneer bloeide de Indusbeschaving?

De beschaving van de Indusvallei bloeide tussen ca. 7000 en ca. 600 v.Chr.

Waardoor raakte de Indusbeschaving in verval?

De beschaving van de Indusvallei begon achter te gaan tussen ca. 1900 en ca. 1500 v.Chr., hoogstwaarschijnlijk als gevolg van klimaatverandering, hoewel er nog debat is over de oorzaken van het verval.

Over de vertaler

Theo Poot
1953. Na 45 jaar onderwijs nu gepensioneerd. Ervaring in basis- en voortgezet onderwijs (docent geschiedenis), educatief schrijven en redactie (geschiedenismethodes, digitale projecten), toets- en examenconstructie.

Over de auteur

Joshua J. Mark
Joshua J. Mark, freelanceschrijver en voormalig deeltijdhoogleraar filosofie aan het Marist College in New York, heeft in Griekenland en Duitsland gewoond en door Egypte gereisd. Hij doceerde geschiedenis, schrijven, literatuur en filosofie op universitair niveau.

Citeer dit werk

APA-stijl

Mark, J. J. (2026, januari 19). Beschaving van de Indusvallei. (T. Poot, Vertaler). World History Encyclopedia. https://www.worldhistory.org/trans/nl/1-10070/beschaving-van-de-indusvallei/

Chicago-stijl

Mark, Joshua J.. "Beschaving van de Indusvallei." Vertaald door Theo Poot. World History Encyclopedia, januari 19, 2026. https://www.worldhistory.org/trans/nl/1-10070/beschaving-van-de-indusvallei/.

MLA-stijl

Mark, Joshua J.. "Beschaving van de Indusvallei." Vertaald door Theo Poot. World History Encyclopedia, 19 jan 2026, https://www.worldhistory.org/trans/nl/1-10070/beschaving-van-de-indusvallei/.

Advertenties verwijderen