Claudius (10 v.Chr. tot 54 n. Chr.) was de vierde Romeinse keizer, die regeerde van 41 tot 54 n.Chr. Alhoewel hij onderdeel uitmaakte van de keizerlijke Julisch-Claudische dynastie, had het altijd onwaarschijnlijk geleken dat hij aan de macht zou komen. Voor het grootste gedeelte van zijn leven werd hij door zijn eigen familie daadwerkelijk uitgesloten wegens zijn handicaps. Hij werd echter door de Pretoriaanse Garde tot keizer uitgeroepen na de moord op zijn neef, Caligula in 41 n.Chr. Onder zijn heerschappij kende het Romeinse Rijk een relatief voorspoedige periode, met de bouw van nieuwe wegen en aquaducten, alsmede de verovering van Brittannië. Hij stierf in 54 n.Chr – mogelijk vergiftigd door zijn vrouw – en werd opgevolgd door zijn zoon Nero (regeerde van 54-68 n.Chr.).
Vroege Leven & Familie
Claudius werd geboren als Tiberius Claudius Drusus op 1 augustus 10 v.Chr. in Lugdunum in het Romeinse Gallië (het hedendaagse Lyon, Frankrijk). Hij was het jongste overlevende kind van Nero Claudius Drusus (tevens bekend als Drusus de Oudere), een populaire Romeinse generaal en de broer van de toekomstige keizer Tiberius. Zijn moeder, Antonia de Jongere, was ook van hoge afkomst, aangezien ze de dochter van Marcus Antonius en Octavia de Jongere was; via zijn grootmoeder Octavia was Claudius tevens een achterneef van de eerste Romeinse keizer, Augustus. Toen Claudius nog maar een jaar oud was, stierf zijn vader in een rij-ongeluk toen hij aan het hoofd stond van de soldaten in Germanië. De dood van Drusus kwam als een schok voor het gehele rijk en het militaire kamp waar hij stierf werd sindsdien als ‘vervloekt’ beschouwd. Claudius werd daarna opgevoed door zijn moeder, die nooit hertrouwde.
Vanaf zijn jonge jaren was het duidelijk dat Claudius leed aan een soort handicap. Antonia was echter verre van een begripvolle en liefhebbende moeder en kleineerde haar zoon voortdurend wegens zijn vermeende gebreken. Volgens de historicus Suetonius noemde zij hem een monster waar “de Natuur aan begonnen was, maar nooit had afgemaakt”, en, als ze iemand anders beschuldigde van stupiditeit, noemde ze deze “een grotere dwaas dan haar zoon Claudius” (Suet., Leven van Claudius, 3). Alhoewel keizer Augustus vriendelijker was voor zijn achterneef, was hij vastbesloten om de jongen verborgen te houden voor de buitenwereld, schrijvend:
Als we, aan de andere kant, hem zien als – zoals de Grieken het zouden formuleren – een idioot…dan moeten we in geen geval het soort mensen die om dergelijke zaken spotten en lachen de kans geven om van hem (en van ons!) het middelpunt van de spot te maken.
(Suet. Claudius, 4)
Toen Claudius ouder werd, werden zijn handicaps meer zichtbaar. Hij liep mank, stotterde en had een voortdurende tic. Hij had de neiging te kwijlen en kreeg een loopneus als hij opgewonden was. Geleerden weten niet zeker waar hij precies aan leed – traditioneel wordt polio gesuggereerd, alhoewel de moderne wetenschap stelt dat het eerder een vorm van cerebrale parese of het syndroom van Gilles de la Tourette was. In ieder geval werd Claudius voor het grootste deel van zijn jeugd verborgen gehouden en werd voorkomen dat hij begon met het cursus honorum, de ‘carrière ladder’ van publieke ambten die elke ambitieuze Romeinse politicus geacht werd te beklimmen.
Dit moet zeer frustrerend geweest zijn voor Claudius, die moest toezien hoe zijn oudere broer Germanicus glorieuze militaire overwinningen behaalde langs de grens van de Rijn en gevierd werd in de Romeinse wereld. Toen Augustus in 14 n.Chr. stierf, deed Claudius en beroep op zijn oom, de nieuwe keizer Tiberius (regeerde van 14 tot 37 n.Chr.), om hem een publiek ambt te gunnen. Echter zag Tiberius hem ook als zwakzinnig en verleende hem dan wel consulaire ornamenten maar geen van enig belang. Rond deze tijd was Claudius 23, een leeftijd waarop de meeste van zijn leeftijdsgenoten reeds hun entree in het openbare leven hadden gemaakt. Hij moet zich voorbestemd gevoeld hebben om in de vergetelheid weg te kwijnen.
Ondanks dat hij door zijn familie werd verafschuwd, lijkt het erop dat anderen Claudius graag mochten. De klasse van de equites (ridders) hadden hem gekozen om hun delegatie bij de begrafenis van Augustus aan te voeren. Toen zijn huis afbrandde, stemde de Romeinse Senaat ervoor om deze te herbouwen op kosten van de staat en stonden hem zelfs toe in de Senaat te debatteren (beide moties werden door het veto van Tiberius verworpen). Na het vroegtijdige overlijden van Germanicus in 19 n.Chr. was er zelfs sprake van dat Claudius de rol van zijn overleden broer als aangewezen erfgenaam van het Romeinse Rijk zou overnemen.
Dit speelde echter in de tijd dat de machtswellustige prefect van de Pretoriaanse Garde, Lucius Aelius Sejanus, zijn bloedige vervolgingen wegens verraad uitvoerde. In de hoop de jaloerse aandacht van Sejanus te ontlopen, nam Claudius afstand van het gesprek over de opvolging en trok zich in toenemende mate terug in zijn privéleven. Met het verloop der jaren stelde hij zich met de wetenschap tevreden, met een speciale interesse in de bestudering van de geschiedenis. Zelfs na de teloorgang en executie van Sejanus in 31 n.Chr. bleef Claudius zichzelf afzonderen.
Ten Tijde van Caligula
In maart 37 n.Chr. stierf Tiberius en kwam de 25-jarige neef van Claudius, Caligula aan de macht (regeerde 37 tot 41 n.Chr.). In de eerste maanden van zijn bewind wilde Caligula graag populair worden bij de massa en benoemde als onderdeel van zijn charme offensief Claudius tot het prestigieuze ambt van consul; dit gebeurde ten ere van de nagedachtenis aan Claudius’ broer, Germanicus, die nog steeds geliefd was onder de bevolking. In eerste instantie genoot Claudius van zijn nieuwe rol en het respect dat daarmee gepaard ging. Volgens Suetonius landde er een adelaar op zijn linkerschouder toen hij voor het eerst het Romeinse Forum betrad als consul, een teken van de gunst van de goden. Zo nu en dan, wanneer Caligula niet in Rome was, verving Claudius hem bij gladiatorenspelen en wagenrennen, alwaar hij luid toegejuicht werd.
Echter bleek dit nieuwgevonden respect maar al te vluchtig. In de loop van zijn heerschappij werd Caligula steeds sadistischer en vond vaak genoegen in het kwellen van degenen om hem heen, waaronder zijn oom. Regelmatig vernederde hij Claudius voor de Senaat en duwde hem een keer volledig gekleed in een rivier. Andere senatoren zagen dit als teken om Claudius eveneens te treiteren. Suetonius schrijft:
Hij hoefde slechts een paar minuten te laat te komen voor het eten en hij moest een volledige tour door de eetkamer maken voordat er iemand met tegenzin ruimte voor hem maakte; tevens, als hij wegdommelde na het eten – iets waar hij nogal geneigd toe was – werd hij bekogeld met olijf- en dadelpitten en een grapjas geselde hem soms met een roede of een zweep (met ‘gewoon voor de lol’ als excuus).
(Suet, Claudius, 8)
De Romeinse historicus Cassius Dio voegt toe dat Claudius door de voortdurende vernedering zo gestrest raakte dat het ten koste van zijn gezondheid ging en het leidde tot snel gewichtsverlies. Maar toen, op 24 januari 41 n.Chr. veranderde alles. Twee ontevreden leden van de Pretoriaanse Garde, Cassius Chaerea en Cornelius Sabinus, vermoordden Caligula in een zijgang van het paleis. Niet tevreden met enkel de moord op de keizer, vermoorden ze ook de vrouw van Caligula en zijn jonge dochter – en het leek er daadwerkelijk op dat zij de bedoeling hadden om de hele keizerlijke familie uit te moorden. Volgens de officiële versie van de gebeurtenissen, hoorde Claudius wat er aan de hand was en vreesde dat de moordenaars hem ook wilden doden. Hij verstopte zich achter een gordijn, echter werd snel ontdekt door een lid van de Pretoriaanse Garde die Gratus heette. Toen de bevende Claudius door zijn knieën ging, in de overtuiging dat hij gedood zou worden, hielp Gratus hem op te staan en riep hem uit tot keizer. Claudius werd vervolgens weggevoerd naar het Pretoriaanse kamp ter bescherming.
De Greep naar de Macht
Tenminste, op deze manier werd het verhaal gepresenteerd aan de Senaat. Gedurende de directe nasleep van de moord op Caligula waren sommige senatoren hoopvol dat de dagen van de autocratische heerschappij van één man voorbij waren en dat de republiek in ere hersteld zou worden. Deze hoop vervloog snel toen bekend werd dat Claudius zijn toevlucht gezocht had bij de Pretorianen en uitgeroepen was tot keizer en zijn positie zeker had gesteld door royale omkopingen van het Romeinse leger. Door te beweren dat hij ineengedoken achter een gordijn gevonden was, presenteerde hij zichzelf als een onwillige heerser, iemand die bijna letterlijk schoppend en schreeuwend aan de macht gekomen was. In tegenstelling tot de ego-manie van Caligula, greep hij terug op de soft power van het regime van Augustus en was veel moeilijker te negeren. Kort daarna zong het volk zijn naam en werd het duidelijk dat Claudius stevig aan de macht was en dat de dagen van de oude Romeinse Republiek voor altijd verloren waren gegaan.
Met het zeker stellen van zijn positie, verzekerde Claudius de Senaat dat hij niet zo bloeddorstig was als zijn voorganger. Het is waar dat hij Chaerea executeerde en Sabinus dwong zelfmoord te plegen – het zou een slecht teken zijn geweest om de moordenaars van Caligula in leven te laten – maar hij kneep grotendeels een oogje toe voor wat betreft de senatoren die verdacht werden met hen samen te zweren om de republiek te herstellen. Hij wist hoe belangrijk het was de senatoriale klasse tevreden te stellen en woonde regelmatig bijeenkomsten van de Senaat bij, waarbij hij tussen de consuls zat en net als iedereen wachtte op zijn beurt om te spreken. Hij weigerde enkele van de meest grandioze titels en eerbewijzen die aan zijn voorgangers waren toegewezen, zoals imperator, en stond de Senaat toe om voor het eerst in decennia haar eigen bronzen munten te slaan. Ondanks zijn pogingen om goodwill te kweken, moest hij verschillende samenzweringen tegen zijn regime het hoofd bieden. De generaal Appius Silanus werd aan het begin van de heerschappij van Claudius geëxecuteerd, waarschijnlijk na een poging tot een staatsgreep. Hij zou niet de laatste zijn die zou sterven – Suetonius beweert dat Claudius 35 senatoren executeerde en 300 leden van de equites gedurende zijn bewind. Uiteindelijk was zijn heerschappij niet zo bloedeloos als hij in eerste instantie had beloofd.
Toen hij eenmaal de macht had geconsolideerd door deze mix van omkoping, executies en het tevredenstellen van de Senaat, kon Claudius zijn aandacht richten op de uitdagingen van het regeren. Hij stelde een secretariaat in en vertrouwde deze posities toe aan loyale voormalige tot slaaf gemaakten. Gaius Callistus, die als adviseur van Caligula zich had onderscheiden, bleef aan als secretaris van justitie. Pallas, die eigendom was geweest van de moeder van Claudius voordat hij zijn vrijheid verkreeg, werd secretaris van de schatkist. Echter was Narcissus de meest belangrijke, die Claudius eigen tot slaaf gemaakte was geweest voordat hij secretaris van correspondentie werd. Deze vrijgelatenen verkregen grote macht – het was namelijk Narcissus die Claudius er van overtuigde Silanus te executeren, nadat hij over het verraad van de generaal had gedroomd. Tevens werd het de vrijgelatenen toevertrouwd om namens de keizer te spreken. Als opmerkelijk voorbeeld hiervan, sprak Narcissus de Romeinse legioenen toe voor de invasie van Brittannië, waarmee hij muiterij voorkwam. Alhoewel vele senatoren fluisterden dat deze vrijgelatenen de keizer manipuleerden, was hun opkomst een weerspiegeling van de opkomst van Claudius zelf.
Verovering van Brittannië
De beste manier voor Claudius om zijn macht zeker te stellen, was door een grootse militaire campagne te orkestreren, die de heldendaden van een van zijn voorgangers zou evenaren. Hiervoor koos hij Brittannië als doel, een land dat als mysterieus en barbaars werd beschouwd, dat een eeuw daarvoor voor een korte tijd door Julius Caesar was binnengevallen, maar verder de dominantie van de Romeinse heerschappij had weten te ontlopen. In 43 n.Chr. leek de tijd voor een nieuwe invasie rijp; de koninkrijken in het zuiden van Brittannië werden door een serie van dynastieke twisten verscheurd, terwijl er al verschillende Romeinse legioenen bijeengebracht waren nabij het Kanaal. Die zomer stuurde Claudius de generaal Aulus Plautius naar Brittannië aan het hoofd van vier legioenen.
De invasie was een succes. Na twee veldslagen waren de Britten verslagen; terwijl in het noorden nog verzet geboden werd, wisten de Romeinen voet aan de grond te krijgen en voegde de nieuwe provincie Brittannia toe aan het rijk. Claudius zelf zou Brittannië 16 dagen bezoeken en werd toen hij terugkeerde in Rome als een veroverende held behandeld. Men kende hem een Romeinse triomftocht toe, waarbij hij samen met zijn vrouw Valeria Messalina aan zijn zijde in een ceremoniële strijdwagen door de straten reed. De Senaat kende zelfs zijn tweejarige zoon de naam ‘Britannicus’ toe, ter ere van de overwinning. In 50 n.Chr. werd de Britse generaal Caractacus gevangen genomen. In plaats van hem te executeren, erkende Claudius zijn dapperheid door hem clementie te verlenen en stond hem toe de rest van zijn leven door te brengen op door de Romeinse staat verschafte landgoederen.
Bouwprojecten
Claudius wilde tevens zijn nalatenschap bestendigen door middel van de bouw van publieke werken, niet enkel in Rome maar ook in de provincies. Hij bouwde twee aquaducten, de Aqua Claudia en de Aqua Anio Novus, die het hart van Rome verzekerde van vers water. Hij herstelde de haven van Ostia aan de mond van de Tiber, zodat graantransporten makkelijker over de rivier en naar de hoofdstad konden worden vervoerd.
Hij legde wegen en kanalen aan voor beter transport in het keizerrijk en legde het Fucino Meer droog om de boeren in Italië te voorzien van meer landbouwgrond. Al deze bouwprojecten boden veel kansen op werk. Het project van het Fucino Meer had alleen al 30.000 arbeiders nodig voor een periode van 11 jaar. Hierdoor werd Claudius behoorlijk populair onder de bevolking. Toen de bevolking van Rome hoorde dat hij was vermoord onderweg naar Ostia, braken er rellen uit die enkel tot bedaren gebracht kon worden toen zijn veilige terugkeer naar de stad aantoonde dat de geruchten niet bleken te kloppen.
Messalina & Haar Teloorgang
Alhoewel het regime van Claudius zeker voorspoedig was voor het rijk als geheel, werd het tevens geplaagd door de nodige paleisintriges. In 41 n.Chr. haalde Claudius zijn twee nichten, Agrippina de Jongere en Julia Livilla, terug uit verbanning die in eerste instantie door Caligula was opgelegd. Naar verluidt raakte Claudius gesteld op de mooie Livilla en bracht een groot deel zijn tijd door in haar gezelschap, wat zijn (derde) vrouw, Messalina, jaloers maakte. Overduidelijk bezorgd over haar eigen positie, klaagde zij Livilla aan voor overspel en dwong Claudius haar nogmaals te verbannen. Dit keer zou de ongelukkige Livilla nimmer terugkeren, aangezien slechts enkele maanden later door honger stierf.
Ondanks dat ze de vrouw van de keizer was, betekende dat niet dat zij gevrijwaard bleef van een vergelijkbaar schandaal. Lange tijd ging het gerucht rond dat zij een nymfomane was, die de neiging had vreemd te gaan met verschillende mannen; ze zou zelfs volgens een onwaarschijnlijk verhaal van de historicus Tacitus een wedstrijd zijn aangegaan met een prostituee om te zien wie er in een enkele nacht met meer mannen naar bed kon gaan (uiteraard kwam Messalina als winnaar naar voren). Echter overtrof zij al deze geruchten in 48 n.Chr. toen ze in een publieke ceremonie trouwde met haar minnaar, Gaius Silius, terwijl Claudius in Ostia was om de bouwwerkzaamheden te overzien. Wetenschappers weten nog steeds niet zeker of ze eerst scheidde van Claudius voordat ze met Silius trouwde, of dat dit onderdeel was van een grotere staatsgreep.
Hoe het ook zij, Claudius werd ironisch genoeg ingelicht over de echtelijke ontrouw van Messalina door een van zijn eigen concubines. Vervolgens werd hij overtuigd door Narcissus dat het huwelijk onderdeel was van een poging om hem af te zetten – Narcissus was lang een tegenstander geweest van Messalina in de politiek aan het hof en zal ongetwijfeld graag aan haar teloorgang hebben meegewerkt. Aangemoedigd door Narcissus, handelde Claudius snel. Silius werd gearresteerd en geëxecuteerd, evenals verschillende van zijn vrienden die ervan verdacht werden met hem samen te zweren (zelfs de populaire acteur Mnester ontkwam niet aan de woede van de keizer; ervan beschuldigd met Messalina te hebben geslapen, werd hij onthoofd ondanks zijn hysterische protesten).
Messalina zelf werd benaderd door een officier van de Pretoriaanse Garde en opgedragen om zelfmoord te plegen. Toen ze merkte dat ze dat niet kon, trok een van de wachters zijn eigen zwaard en doodde haar. Volgens de oude bronnen was haar executie op bevel van Narcissus, die deed alsof hij handelde op bevel van de keizer. Toen Claudius voor het eerst over de dood van Messalina hoorde, toonde hij geen reactie, maar vroeg slechts om nog een glas wijn.
Adoptie van Nero & Dood
Na de dood van Messalina, ging Claudius op zoek naar een nieuwe vrouw. Tegen deze tijd was hij zich pijnlijk van bewust van de zwakheid van zijn positie – ondanks dat hij een ver familielid van Augustus was, was hij geen directe afstammeling, een feit dat zijn tegenstanders konden gebruiken om hem als onwettig af te schilderen. Verder begon hij oud te worden en zijn enige zoon, Britannicus, was nog een jongen en niet klaar om de rol van keizer op zich te nemen. Claudius besloot waarschijnlijk om deze redenen te trouwen met zijn nicht, Agrippina de Jongere; zij was niet alleen de achterkleindochter van Augustus, maar haar zoon, Lucius Domitius Ahenobarbus, was reeds een populaire jongen wiens afkomst waarschijnlijk meer aanvaardbaar zou zijn voor de Senaat dan die van Britannicus, wiens eigen moeder in schande gestorven was.
Claudius trouwde Agrippina, ondanks de traditionele Romeinse minachting voor incest; hij diende daadwerkelijk een wet aan de kant te schuiven die ooms verbood om hun nichten te trouwen. Nadat dit gebeurd was, adopteerde hij formeel de zoon van Agrippina, die de chique nieuwe naam Nero Claudius Caesar kreeg. De dochter van Claudius, Octavia, werd al snel uitgehuwelijkt aan Nero en Nero werd officieel aangemerkt als erfgenaam samen met Britannicus. Doordat Nero hoger in de lijn van de opvolging kwam te staan, zag Britannicus zich in toenemende mate aan de kant geschoven. Alhoewel hij de steun had van Narcissus, kon hij niet tegen zijn oudere stiefbroer op, die reeds redevoeringen hield voor de Senaat op 16-jarige leeftijd. Claudius zelf maakte zich hier geen zorgen over, in de overtuiging dat Britannicus zijn moment zou krijgen wanneer hij volwassen zou zijn.
Echter op 13 oktober 54 n.Chr. werd Claudius plotseling ziek en stierf op 63-jarige leeftijd. Op zijn begrafenis werd hij door Nero en de Senaat tot god verheven. Zijn dood werd als natuurlijk aangemerkt, wat het heel goed het geval kan zijn geweest. Dat hele jaar was Rome immers getroffen door de griep en de keizer was altijd al ziekelijk geweest. Echter fluisterden de meeste oude bronnen dat hij eigenlijk vermoord was, waarbij de meesten Agrippina aanwijzen als schuldige. Het was natuurlijk verdacht dat Claudius pas ziek geworden was toen zijn meest machtige medestander, Narcissus, niet in de stad was. Haar motief zou simpel zijn geweest – Claudius uit de weg ruimen, om zich ervan te verzekeren dat haar zoon snel aan de macht zou komen.
Deze theorie lijkt door Nero zelf onderschreven te worden, die eens grapte dat champignons het voedsel van de goden was, omdat “het door een champignon kwam dat Claudius een god geworden was” (geciteerd uit Holland, 343). Dit lijkt natuurlijk te impliceren dat Claudius gestorven was door het eten van een vergiftigde champignon. In ieder geval handelden Nero en zijn moeder snel om de macht te consolideren, door zowel Narcissus als de tiener Britannicus te doden. Naast de verovering van Brittannië wordt Claudius tegenwoordig waarschijnlijk het meest herinnerd als degene die de opkomst van Nero mogelijk maakte, de man die de ondergang van de Julisch-Claudische Dynastie teweeg zou brengen.

