Het Mongoolse Rijk (1206-1368) werd gesticht door Dzjengis Khan (regeerde 1206-1227), de eerste Grote Khan of 'universele heerser' van de Mongoolse volkeren. Dzjengis smeedde het rijk door nomadische stammen van de Aziatische steppe te verenigen en een verwoestend effectief leger te creëren met een snelle, lichte en uiterst gecoördineerd optredende cavalerie. Uiteindelijk domineerde dit rijk heel Azië van de Zwarte Zee tot aan het Koreaanse schiereiland.
Als ervaren ruiters en boogschutters bleken ze onstuitbaar in Centraal-Azië en daarbuiten, waarbij ze legers versloegen in Iran, Rusland, Oost-Europa, China en op vele andere plaatsen. De nakomelingen van Dzjengis regeerden elk een deel van het rijk - de vier khanaten - waarvan de machtigste de Mongoolse Yuan-dynastie in China (1271-1368) was, gesticht door Koeblai Khan (regeerde 1260-1279). Uiteindelijk werden ze opgenomen in de sedentaire samenlevingen die ze zo gemakkelijk hadden overweldigd en velen bekeerden zich van traditioneel sjamanisme tot het Tibetaans boeddhisme of de islam. Dit was een algemeen symptoom van het verlies van een deel van hun culturele identiteit, maar evenzeer van de teruggang van hun zo befaamde militaire bekwaamheden, gezien het feit dat alle vier khanaten ten prooi vielen aan funeste dynastieke geschillen én aan de legers van hun rivalen. Hoewel ze geen roem verwierven met de creatie van blijvende architectonische wonderen of politieke instituties, leverden ze wel een belangrijke bijdrage aan de mondiale beschaving door de oosterse en westerse werelden uiteindelijk met elkaar te verbinden via uitgebreide handelsroutes, diplomatieke ambassades en de toegang van missionarissen en reizigers van Eurazië tot het Verre Oosten.
Nomaden van de Steppe
De Mongolen waren nomadische herdersvolken van de Aziatische steppe die schapen, geiten, paarden, kamelen en jaks hoedden. Deze stammen reisden met de seizoenen mee en woonden in tijdelijke kampen van ronde vilttenten of joerten (gers). Het klimaat van Mongolië is vaak streng en dientengevolge was kleding warm, duurzaam en praktisch. Vilt van schapenwol en dierenbont waren de meest gebruikte materialen voor kleding, die opmerkelijk gelijk was voor mannen en vrouwen: laarzen zonder hakken, wijde broeken, een lange manteljas (deel) met een leren riem, en een kegelvormige hoed met oorflappen, met onderkleding van katoen of zijde.
Het Mongoolse dieet was voornamelijk gebaseerd op zuivel, met kaas, yoghurt, boter en gedroogde melkwrongel (kurut) als basisproducten. Een licht alcoholisch drankje, kumis, gemaakt van merriemelk, werd vaak overmatig gedronken. Omdat de kuddes te waardevol waren als duurzame bron van melk, wol, vlees en zelfs mest voor brandstof, werd vlees voornamelijk verkregen door de jacht, en werden wilde vruchten en groenten verzameld in de natuur. Om wintervoorraden in te slaan en vlees te leveren voor speciale feesten tijdens onregelmatige tribale bijeenkomsten, werden speciale jachtpartijen georganiseerd. Gedurende deze evenementen werd een strategie toegepast die de nerge heet , waarbij ruiters een enorm steppegebied omsingelden en langzaam alle wild – van marmotten tot wolven – in een steeds kleiner wordend gebied samendreven waarin ze gemakkelijker door bereden boogschutters konden worden gedood. De technieken, organisatie en discipline van de nerge kwamen goed van pas wanneer ze ten strijde trokken. De meeste kenmerkende tradities van dit middeleeuwse dagelijks leven in de Mongoolse wereld worden vandaag de dag nog voortgezet door steppenomaden in heel Azië.
Hoewel het nomadische leven meestal betekende dat de mannen op jacht gingen en de vrouwen kookten, was de taakverdeling niet altijd zo duidelijk, en konden beide geslachten vaak elkaars taken uitvoeren, waaronder het hanteren van een boog en paardrijden. Vrouwen verzorgden dieren, sloegen kampen op en braken ze op, bestuurden de wagens van de stam, zorgden voor de kinderen, bereidden voedsel en ontvingen gasten. Ze hadden veel meer rechten dan in de meeste andere toenmalige Aziatische culturen en konden zowel eigendom bezitten als erven. Verschillende vrouwen traden zelfs op als regentessen in de periodes tussen regeringen van de Grote Khans. Een ander levensterrein waarop Mongoolse vrouwen actief betrokken waren, was de religie.
Religieuze overtuigingen
De religie van de Mongolen kende geen heilige teksten of specifieke ceremonieën, maar was meer een mengeling van animisme, voorouderverering en sjamanisme. Verschijnselen van de elementen vuur, aarde en water, indrukwekkende geografische locaties zoals bergen en natuurlijke fenomenen als stormen werden beschouwd als door geesten bezield. Sjamanen, die zowel man als vrouw konden zijn, zouden in staat zijn om in trance met deze geesten te communiceren en door hun wereld te reizen, waarbij ze hielpen verloren zielen te vinden en goddelijke gebeurtenissen te voorspellen.
Ook andere religies waren bekend bij de Mongolen, met name het nestoriaanse christendom. Vanaf de 14e eeuw werd het Tibetaans boeddhisme (lamaïsme) populair, mogelijk dankzij de daarin voorkomende sjamanistische elementen. De islam werd ook breed aangenomen in de westerse khanaten. Bovenal was er echter sprake van een wijdverbreid geloof in de twee belangrijkste godheden: de Aarde- of Moedergodin, bekend als Etugen (Itugen), die vruchtbaarheid vertegenwoordigde, en Tengri (Gok Monggke Tenggeri), de 'Blauwe Hemel' of 'Eeuwige Hemel.' Deze laatste godheid werd gezien als een beschermgod en, cruciaal, door de stamelite beschouwd als degene die het Mongoolse volk een goddelijk recht had verschaft om over de gehele wereld te heersen. Dzjengis Khan en zijn opvolgers zouden dit idee op verwoestende wijze in praktijk brengen door bijna het hele Aziatische continent te veroveren en het grootste rijk uit de wereldgeschiedenis te creëren.
Oprichting door Dzjengis Khan
De Mongoolse nomadische stammen waren toentertijd een zwaar leven gewend. Ze leefden van nature zeer mobiel en werden vanaf hun jeugd getraind in paardrijden en boogschieten. Deze kwaliteiten zouden hen uitstekend van pas komen als krijgers die lange en complexe veldtochten konden doorstaan, enorme gebieden in korte tijd konden beheersen en konden overleven op slechts het absolute minimum aan bevoorrading. Zelfs de rol van vrouwen met hun taken op het gebied van kampementen opslaan en transport hielpen het Mongoolse leger, omdat vrouwen daarmee essentiële logistieke ondersteuning boden aan hun echtgenoot-krijgers. Dzjengis Khan was wellicht de eerste Mongoolse leider die besefte dat als de verschillende stammen en clans maar verenigd konden worden, zij de de wereld konden veroveren.
Dzjengis, geboren als Temujin rond 1162, overwon een zware jeugd van verlating en armoede en bewees zichzelf als bekwame militaire commandant voor Toghril, het hoofd van de Kerait-stam. Het leven en de tijd van Dzjengis worden beschreven in De geheime geschiedenis van de Mongolen, een 13e-eeuwse kroniek die onze beste primaire bron is voor het vroege Mongolenrijk. Gedurende een periode van ongeveer tien jaar, van 1195 tot 1205, ontwikkelde Dzjengis zich zelf tot leider en breidde hij langzaam zijn domein uit door een meedogenloze mix van diplomatie, oorlogvoering en terreur – voor veel krijgers was het vaak een kwestie kiezen: óf zich bij de jonge leider voegen óf geëxecuteerd worden. Stammen als de Tataren (een naam die middeleeuwse westerlingen ten onrechte op de Mongolen zelf toepasten), Keiraïten, Naimanen en Merkieten werden in het gareel gebracht. Uiteindelijk werd in 1206 tijdens een grote bijeenkomst van alle stamleiders (een kurultai), Dzjengis Khan (ook bekend als Chinggis Khan) formeel erkend als de Grote Khan of 'universele heerser' van de Mongolen.
De Khan probeerde zijn rijk verder te verenigen door te eisen dat de tot dan toe alleen gesproken Mongoolse taal op schrift werd gesteld volgens het schrift van de Oeigoerse Turken en door een vaste wettenverzameling, de Yassa, in te voeren. De communicatie werd sterk bevorderd door de oprichting van de Yam, een netwerk van halteplaatsen die boodschappers konden gebruiken voor bevoorrading terwijl ze door het rijksgebied reisden. De opbouw van het rijk was al serieus begonnen, maar stond op het punt om nog veel groter te worden.
Uitbreiding: Noord-China en Perzië
Mongoolse stamleiders hadden traditioneel hun machtspositie bereikt en vervolgens behouden door oorlogsbuit te verdelen onder hun trouwe volgelingen, en Dzjengis was daarop geen uitzondering. Het Mongoolse leger was gebaseerd rond een kern van 10.000 man die de persoonlijke lijfwacht van de khan vormde, de kesikten. Leden van deze elite bekleedden ook belangrijke administratieve functies in het hele rijk. Extra troepen werden verkregen door de dienstplicht van de Mongoolse stammen, met contingenten van bondgenoten en uit veroverde gebieden. Het belangrijkste offensieve wapen was de lichte cavalerie, waarvan de ruiters bedreven waren in het hanteren van de krachtige Mongoolse composietboog. Mongoolse paarden vormden een ander pluspunt, zowel vanwege hun stevigheid en uithoudingsvermogen, maar ook vanwege hun grote aantallen, waardoor ruiters met tot 16 reservepaarden konden rijden; dit betekende dat een leger enorme afstanden met grote snelheid kon afleggen.
Dzjengis' eerste doelwit nadat hij Grote Khan was geworden, vormde de staat Jin (ook bekend als de Jurchen Jin-dynastie, 1115-1234) in Noord-China. De snelheid van de Mongoolse cavalerie en de terreurtactieken bij het bestrijden van veroverde steden wierpen hun vruchten af, en de intern verdeelde Jin-staat werd gedwongen zich naar het zuiden terug te trekken. Een gelijktijdig doelwit was de Tangut-staat Xi Xia (ook Hsi-Hsia genoemd, 1038-1227), eveneens in Noord-China en evenmin in staat om Dzjengis' onophoudelijke opmars door Oost-Azië te stoppen. Het derde doelwit in deze periode was het China van de Song-dynastie (ook bekend als Sung, 960 - 1279). Rijker en machtiger dan zijn buren, toonden de Song zich veerkrachtiger, ondanks dat Dzjengis veel van hun steden plunderde; maar hun tijd zou nog komen. In 1219 werd zelfs Noord-Korea aangevallen toen Dzjengis de lastige Khitan-stammen achtervolgde die daarheen waren gevlucht.
Blijkbaar vastbesloten zijn titel als 'universele heerser' te verdienen, richtte Dzjengis zich nu op West-Azië. Vanaf 1218 werd het Perzische Chorasmidenrijk aangevallen. Een Mongools leger van 100.000 man veegde alle tegenstanders opzij en veroverde belangrijke steden als Buchara en Samarkand. In 1221 rukten ze Noord-Afghanistan binnen, in 1223 werd een Russisch leger verslagen bij Kalka, en daarna werd de Kaspische Zee volledig omsingeld toen het leger terugkeerde naar huis. De moslims van de regio gaven nu een nieuwe titel aan Dzjengis: 'de Vervloekte.' Steden werden tot op hun fundamenten verwoest, burgers afgeslacht en zelfs irrigatiesystemen werden verwoest. De Aziatische wereld was in minder dan twee decennia op zijn kop gezet. Dzjengis Khan stierf op 18 augustus 1227 aan een onbekende ziekte, maar zijn opvolgers zorgden ervoor dat de nieuwe wereldorde van de Mongoolse Wereldorde haar schepper lang zou overleven.
Ogedei Khan valt Europa aan
Dzjengis had bepaald dat zijn rijk verdeeld moest worden onder zijn vier zonen Jochi, Chagatai (Chaghadai), Tolui (Tului) en Ogedei (Ogodei), waarbij elk een khanaat zou regeren (hoewel Jochi zijn vader in 1227 zou voorgaan). Ogedei werd de nieuwe Grote Khan (regeerde 1229-1241) en daarmee heerser over alle. Het verenigde rijk zou voortbestaan tot 1260, toen de vier khanaten volledig autonoom werden (zie hieronder).
Ogedei Khan consolideerde het Mongoolse staatsapparaat verder door leden van de keizerlijke lijfwacht en ministers aan te stellen als regionale gouverneurs (daruqachi), een volkstelling uit te voeren en een goed belastingsysteem in te voeren (in plaats van louter de confiscatie van eigendommen). In 1235 werd een hoofdstad gekozen, Karakorum (Qaraqorum) in Mongolië. Het yam-netwerk werd uitgebreid, putten langs handelsroutes werden beschermd en reizende kooplieden kregen militair escorte.
Wat betreft veroveringen ging Ogedei verder waar zijn voorganger was gebleven en hij voerde in 1230-31 campagne tegen de Jin met hulp van de begaafde generaal Subutai (ook bekend als Sube'etei, 1176-1248), befaamd als een van de 'Vier Honden' van de khan. De Jin-hoofdstad Kaifeng viel in 1233, en de campagne van 1234 leidde tot de zelfmoord van Jin-keizer Aizong (regeerde 1224-1234) en de totale en definitieve ineenstorting van de Jin-staat. Korea werd in deze periode herhaaldelijk geplunderd.
Vanaf 1235 coördineerde Subutai de campagne door Centraal-Azië en veroverde steden als Tiflis (Tbilisi). Van 1236 tot 1242 marcheerde vervolgens een leger van 150.000 man, georganiseerd in vijf gescheiden divisies, door Kazachstan/Oezbekistan om Oost-Europa aan te vallen rond de Wolga. Overwinningen werden behaald tegen de Bulgaren, Rus, Polen en Hongaren in meerdere campagnes. De Mongoolse cavaleristen die schijnbaar uit het niets opdoemden, werden bekend als de 'ruiters van de duivel'. Grote steden als Kiev (1240), Krakau (1241), Buda en Pest (1241) werden alle veroverd en geplunderd. Het leek erop dat alleen Ogedei's dood in 1241 Europa redde van verdere invallen, aangezien de Mongoolse leiders toen gedwongen waren terug te keren naar Karakorum om een nieuwe khan te kiezen. De volgende twee khans waren Guyuk Khan (regeerde 1246-1248) en Mongke Khan (regeerde 1251-1259), met regenten in tussenperiodes, maar het was Koeblai, kleinzoon van Dzjengis, die de grootste ambitie toonde door de Mongoolse veroveringen naar een heel nieuw niveau te tillen.
Koeblai Khan valt China en Japan aan
Koeblai Khan regeerde van 1260 tot 1294, maar hij had al daarvoor indruk gemaakt toen hij samen met Mongke Khan campagne voerde tegen Song-China. Koeblai moest met zijn jongere broer Ariq Boke (1219-1266) strijden om de positie van Grote Khan, maar hij won; en zelfs nu het rijk feitelijk in vier khanaten was verdeeld, kon hij zich ermee troosten dat zijn deel het rijkste bleef. Koeblai had in ieder geval ambities voor een nog prestigieuzere titel: die van Chinese keizer. Daardoor werden de Song opnieuw aangevallen, maar ditmaal voerde Koeblai de belegeringsoorlog met superieure katapulten – dankzij kennis opgedaan in West-Azië. Stad na stad viel in de daaropvolgende 11 jaar en met de val van de hoofdstad Lin'an op 28 maart 1276 viel ook de Song-dynastie. Op 19 maart 1279 werd een grote zeeslag gewonnen bij Yaishan, nabij het huidige Macau – opnieuw een voorbeeld van een succesvolle aanpassing van de Mongoolse oorlogsvoering – en werd het allerlaatste Song-verzet neergeslagen. Koeblai had een overwinning behaald waar alle steppe-nomaden voor hem van hadden gedroomd: de machtige en immens rijke staat China was verslagen.
In 1271 riep Koeblai zichzelf uit tot keizer van China en van zijn nieuwe orde, de Yuan-dynastie, wat 'oorsprong' of 'centrum' betekent. Daidu (Beijing) werd de nieuwe hoofdstad, met Xanadu (Shangdu) in het noordoosten als zomerverblijf van de keizer. Koeblai bleek als bestuurder niet minder bekwaam dan als veroveraar. Hij organiseerde zijn enorme staat in 12 provincies en bevorderde de handel door voordelige belastingen voor kooplieden, het stimuleren van het gebruik van papiergeld en het verbeteren van weg- en kanaalnetwerken om goederen beter te kunnen vervoeren. Koeblai was echter niet tevreden en lanceerde twee aanvallen op Japan in 1274 en 1281. Beide zouden mislukken als gevolg van felle lokale weerstand en verschrikkelijke stormen die de Japanners kamikaze of 'goddelijke winden' noemden. Onverstoord lanceerde Koeblai aanvallen in Zuidoost-Azië met invasies van Vietnam (1257, 1281 en 1286), Birma (1277 en 1287) en Java (1292), steeds met niet meer dan wisselend resultaat. Het leek erop dat het Mongoolse rijk zijn hoogtepunt had bereikt en dat de 13e eeuw nu alleen nog achteruitgang zou laten zien.
Khanaten en verval
Terwijl de Grote Khans zich bezighielden met het oostelijke deel van het Mongoolse Rijk, volgden de centrale en westelijke delen grotendeels hun eigen pad. De Gouden Horde, gecentreerd rond de westelijke Euraziatische steppe, werd rond 1227 gesticht door Batu Khan († 1255), kleinzoon van Dzjengis. Het zou alle andere khanaten overleven en officieel eindigen in 1480, maar vanaf het midden van de 14e eeuw kwamen de Russen en Litouwers weer in opstand in dit gebied. Het Ilkhanaat, met als centrum Perzië, werd rond 1260 gesticht door Hulegu († 1265), een andere kleinzoon van Dzjengis. Het zou voortdurend worden bedreigd door zijn zuidoostelijke buur, het Mammelukse sultanaat (1261-1517), en ten slotte door dynastieke geschillen uiteenvallen in 1335. Het Chagatai-kanaat werd gesticht en genoemd naar de tweede zoon van Genghis (1183-1242), en dit zou de meest oorspronkelijk Mongoolse staat blijven die moeilijk kon breken met zijn nomadische wortels. Opnieuw leidden dynastieke geschillen tot ineenstorting, in 1363.
Alle drie de westelijke khanaten bevochten elkaar voortdurend in grensgeschillen. Uiteindelijk zou elk van hen de islam als staatsgodsdienst aannemen, wat op zichzelf weer een twistpunt vormde tussen elites. De gebieden van het Ilkhanaat en het Chagatai-kanaat werden uiteindelijk overgenomen door Timoer (Tamerlane), de stichter van het Timoeridische Rijk (1370-1507). Zelfs Yuan-China bezweek onder de al te vertrouwde burgeroorlogen tussen rivaliserende groepen en, met een zwakke economie en geteisterd door hongersnoden en lokale opstanden, wist de Ming-dynastie in 1368 China over te nemen. Uiteindelijk waren de Mongolen zelf onderdeel geworden van de sedentaire samenlevingen die ze zo gemakkelijk hadden veroverd, waardoor ze net zo vatbaar bleken als elke andere staat voor overname door degenen die bereid waren nieuwe ideeën en technologieën te omarmen.
De Mongoolse erfenis
De Mongolen hebben weliswaar onze hedendaagse museumconservatoren nauwelijks opgezadeld met hun kunst of nagelaten bewonderenswaardige bouwwerken, maar ze lieten wel op andere manieren een blijvende erfenis na. Hun grootste invloed op de wereldcultuur was misschien wel het creëren van de eerste serieuze verbindingen tussen Oost en West. Het Mongoolse Rijk, het grootste aaneengesloten landrijk tot dan toe, strekte zich uit over een vijfde van de wereld en hun soldaten waren verplicht om aan de ene kant tegen Duitse Orden te vechten, terwijl ze aan de andere kant het opnamen tegen samoerai-krijgers, waarbij geen van beide enig idee had van het bestaan van de ander. Tot dan toe hadden Chinezen en Europeanen elkaars land beschouwd als halfmythische woonplaats van monsters. Naarmate ambassadeurs, missionarissen, kooplieden en reizigers als Marco Polo (1254-1324) werden aangemoedigd om Azië vrij te doorkruisen, nam het contact toe en raakten ideeën en religies verspreid. Buskruit, papier, drukwerk en het kompas werden alle bekend in Europa. De Mongolen verspreidden ook ideeën in de keuken, zoals de bereiding van hun sulen (shulen): bouillon met stoofpot, wat een populair gerecht werd in heel Azië, zelfs tot op de dag van vandaag. Er waren helaas ook minder gunstige gevolgen, zoals de Zwarte Dood (1347-1352), die eerst werd overgedragen van een afgelegen deel van China naar de Zwarte Zee en vandaar naar Venetië en de rest van Europa. In Mongolië wordt het rijk echter met warmte herinnerd als een gouden tijdperk en Dzjengis Khan, de aanstichter van alles, wordt nog steeds geregeld geëerd met ceremonieën in de Mongoolse hoofdstad Ulaanbaatar.
