Het Byzantijnse Rijk bestond van 330 tot 1453. Het wordt vaak het Oost-Romeinse Rijk of gewoon Byzantium genoemd. De Byzantijnse hoofdstad werd gesticht in Constantinopel door Constantijn I (regeerde van 306 tot 337). De omvang van het Byzantijnse Rijk varieerde door de eeuwen heen en op verschillende momenten bezat het gebieden in Italië, Griekenland, de Balkan, de Levant, Klein-Azië en Noord-Afrika.
Byzantium was een christelijke staat met Grieks als officiële taal. De Byzantijnen ontwikkelden hun eigen politieke systemen, religieuze praktijken, kunst en architectuur. Deze werden alle sterk beïnvloed door de Grieks-Romeinse culturele traditie, maar waren ook onderscheidend en niet louter een voortzetting van het oude Rome. Het Byzantijnse Rijk was de langst bestaande middeleeuwse grootmacht en de invloed ervan is nog steeds voelbaar, vooral in religie, kunst, architectuur en wetgeving van veel westerse staten, Oost- en Midden-Europa en Rusland.
Naamgeving en chronologie
De naam 'Byzantijns' werd bedacht door 16e-eeuwse historici op basis van het feit dat de hoofdstad eerst Byzantium heette, voordat deze werd omgedoopt tot Constantinopel (het huidige Istanbul). Het was en is nog steeds een onvolmaakte maar werkbare benaming om het Oost-Romeinse Rijk te onderscheiden van het West-Romeinse Rijk, wat vooral belangrijk was na de val van dat laatste in de 5e eeuw. Om dezelfde reden bestaat er onder historici geen algemene overeenstemming over de periode waarnaar de term 'Byzantijnse Rijk' eigenlijk verwijst. Sommige wetenschappers kiezen voor 330 en de stichting van Constantinopel, anderen voor de val van het West-Romeinse Rijk in 476, weer anderen geven de voorkeur aan het falen van Justinianus I (r. 527-565) om de twee rijken in 565 te verenigen, en sommigen kiezen zelfs voor ca. 650 en de Arabische verovering van de oostelijke provincies van Byzantium. De meeste historici zijn het erover eens dat het Byzantijnse Rijk op dinsdag 29 mei 1453 ten einde kwam, toen de Ottomaanse sultan Mehmed II (r. 1444-6 & 1451-81) Constantinopel veroverde.
Het debat over de chronologie onderstreept ook de verschillen tussen de twee helften van de Romeinse wereld, qua etnische en culturele mix, en het onderscheid tussen de middeleeuwse staat en zijn vroegere Romeinse erfgoed. De Byzantijnen noemden zichzelf 'Romeinen', hun keizer was basileon ton Rhomaion ofwel 'keizer van de Romeinen' en hun hoofdstad was 'Nieuw Rome'. De meest gangbare taal was echter het Grieks, en men kan op goede gronden stellen dat het Byzantijnse Rijk gedurende het grootste deel van zijn geschiedenis in cultureel opzicht veel meer Grieks dan Romeins was.
Constantinopel
Het begin van het Byzantijnse Rijk ligt in het besluit van de Romeinse keizer Constantijn I om op 11 mei 330 de hoofdstad van het Romeinse Rijk te verplaatsen van Rome naar Byzantium. De populaire naam Constantinopel of 'Stad van Constantijn' verving al snel de officiële keuze van de keizer, 'Nieuw Rome'. De nieuwe hoofdstad bezat een uitstekende natuurlijke haven aan de inham van de Gouden Hoorn en lag op de grens tussen Europa en Azië, waardoor het de doorvaart van schepen door de Bosporus van de Egeïsche Zee naar de Zwarte Zee kon beheersen en zo de lucratieve handel tussen west en oost verbinden. Een grote ketting overspande de ingang van de Gouden Hoorn en dankzij de bouw van de massieve Theodosiaanse muren tussen 410 en 413 kon de stad keer op keer gecoördineerde aanvallen vanaf zee en land weerstaan. In de loop der eeuwen, toen er steeds meer spectaculaire bouwwerken bij kwamen, groeide de kosmopolitische stad uit tot een van de mooiste van alle tijden en zeker tot de rijkste, meest weelderige en belangrijkste christelijke stad ter wereld.
Byzantijnse keizers
De Byzantijnse keizer of basileus (of, in zeldzamere gevallen, basilissa voor keizerin) woonde in het prachtige Grote Paleis van Constantinopel en regeerde als absoluut vorst over een uitgestrekt rijk. Als zodanig had de basileus de hulp nodig van een deskundige regering en een wijdvertakte en efficiënte bureaucratie. Hoewel hij absoluut vorst was, werd van een keizer verwacht – door regering, volk en kerk – dat hij wijs en rechtvaardig regeerde. Nog belangrijker was dat een keizer militaire successen moest boeken, aangezien het leger in feite de machtigste instelling in Byzantium bleef. De generaals in Constantinopel en de provincies konden een keizer die er niet in slaagde de grenzen van het rijk te verdedigen of een economische catastrofe veroorzaakte, afzetten - en dat deden ze ook. Toch was de keizer in normale omstandigheden de opperbevelhebber van het leger, het hoofd van de kerk en de regering, had hij de controle over de staatsfinanciën en benoemde of ontsloeg hij edelen naar eigen goeddunken; weinig heersers voor of na hem hebben ooit zo'n macht uitgeoefend.
Het beeld van de keizer verscheen op Byzantijnse munten, die ook werden gebruikt om een gekozen opvolger te tonen: vaak de oudste zoon, maar niet altijd, aangezien er geen vaste regels voor opvolging waren. Keizers werden geacht door God te zijn uitverkoren om te regeren, maar een prachtige kroon en gewaden van Tyrisch purper hielpen het recht om te regeren verder bekrachtigen. Een andere marketingstrategie was het kopiëren van regeringsnamen van illustere voorgangers, waarbij Constantijn een bijzondere favoriet was. Zelfs usurpatoren, doorgaans machtige en succesvolle militairen, probeerden vaak hun positie te legitimeren door te trouwen met een lid van de familie van hun voorgangers. Door een zorgvuldig georkestreerde continuïteit van dynastieën, rituelen, kleding en namen kon het keizerlijke instituut aldus twaalf eeuwen standhouden.
Byzantijns bestuur
De Byzantijnse regering volgde de patronen die in het keizerlijke Rome waren vastgesteld. De keizer was almachtig, maar er werd toch van hem verwacht dat hij belangrijke instanties als de senaat raadpleegde. De senaat in Constantinopel bestond, in tegenstelling tot die in Rome, uit mannen die carrière hadden gemaakt in het leger, en er was dus geen senatoriale klasse als zodanig. Zonder verkiezingen verwierven Byzantijnse senatoren, ministers en lokale raadsleden hun positie grotendeels door keizerlijke bescherming of vanwege hun status als grote landeigenaar.
De elite van senatoren vormde het kleine sacrum consistorium, dat de keizer in theorie moest raadplegen over zaken van staatsbelang. Daarnaast kon de keizer ook leden van zijn persoonlijke gevolg aan het hof raadplegen. Aan het hof waren ook de kamerheren (cubicularii) aanwezig, die de keizer in verschillende persoonlijke taken dienden, maar ook de toegang tot hem konden controleren. Eunuchen bekleedden zelf verantwoordelijke posities, met als belangrijkste de beheerder van de keizerlijke schatkist, de sakellarios, wiens macht vanaf de 7e eeuw aanzienlijk zou toenemen. Andere belangrijke regeringsfunctionarissen waren de quaestor of hoofdjurist, de comes sacrarum largitionum die de staatsmunt controleerde, de magister officiorum die zorgde voor het algemene bestuur van het paleis, het leger en de bevoorrading daarvan, evenals buitenlandse zaken, en een team van keizerlijke inspecteurs die toezicht hielden op de zaken in de lokale raden in het hele rijk.
De hoogste ambtenaar in Byzantium was echter de praetoriaanse prefect van het Oosten, aan wie alle regionale gouverneurs van het rijk verantwoording verschuldigd waren. De regionale gouverneurs hielden toezicht op de afzonderlijke gemeenteraden of curae. Lokale raadsleden waren verantwoordelijk voor alle openbare diensten en de inning van belastingen in hun stad en de omliggende gebieden. Deze raden waren geografisch georganiseerd in ongeveer 100 provincies, die op hun beurt waren ingedeeld in 12 diocesen, drie in elk van de vier prefecturen van het rijk. Vanaf de 7e eeuw werden de regionale gouverneurs van de diocesen, of themes zoals ze na een herstructurering werden genoemd, in feite provinciale militaire commandanten (strategoi) die rechtstreeks verantwoording verschuldigd waren aan de keizer zelf, en werd de praetoriaanse prefect afgeschaft. Na de 8e eeuw werd het bestuur van het rijk, als gevolg van de toegenomen militaire dreiging van buurlanden en interne burgeroorlogen, veel eenvoudiger dan voorheen.
Corpus Juris Civilis
De Byzantijnse regering ontving krachtige ondersteuning dankzij de totstandkoming van de Codex Justinianus of Corpus Juris Civilis (Verzameling van Burgerlijk Recht) door Justinianus I. Het corpus, opgesteld door een panel van juridische experts, omvatte het veelomvattende geheel van bewerkte en herziene Romeinse wetten die in de loop der eeuwen waren verzameld - een enorm aantal keizerlijke edicten, juridische adviezen en lijsten van misdrijven en straffen. De codex, die uit meer dan een miljoen woorden bestond, zou 900 jaar standhouden, de wetten voor iedereen verduidelijken, het aantal onnodig voor de rechter gebrachte zaken verminderen, het gerechtelijk proces versnellen en daarna de meeste rechtssystemen in westerse democratieën beïnvloeden.
Byzantijnse samenleving
De Byzantijnen hechtten veel belang aan de familienaam, geërfde rijkdom en respectabele afkomst van een individu. De individuen in de hogere lagen van de samenleving bezaten deze drie dingen. Rijkdom kwam voort uit grondbezit, ofwel uit beheer van grond onder de jurisdictie van een individuele beheerder. Er was echter geen sprake van een erfelijke aristocratie in de Byzantijnse samenleving, en zowel patronage als onderwijs waren middelen om de sociale ladder te beklimmen. Het toekennen van gunsten, landerijen en titels door keizers, evenals willekeurige degradaties en de gevaren van buitenlandse invasies en oorlogen, hadden bovendien tot gevolg dat lidmaatschap van de adel niet statisch was en dat families door de eeuwen heen opkwamen en ten onder gingen. Iemands rang was voor alle leden van de samenleving zichtbaar door het gebruik van titels, zegels, insignes, bijzondere kleding en persoonlijke sieraden.
De meeste mensen in de lagere klassen volgden op in het beroep van hun ouders, maar erfenissen, accumulatie van rijkdom en het ontbreken van een formeel verbod op klassemobiliteit boden op zijn minst een kleine mogelijkheid voor een persoon om diens sociale positie te verbeteren. Er waren arbeiders met betere banen, zoals degenen die werkzaam waren in juridische zaken, administratie en handel (voor Byzantijnen geen hoog gewaardeerde manier om in het levensonderhoud te voorzien). Op de volgende, lagere trede stonden ambachtslieden, vervolgens boeren die hun eigen kleine stukjes land bezaten, daarna de grootste groep: degenen die het land van anderen bewerkten, en ten slotte slaafgemaakten, doorgaans krijgsgevangenen, een groep die echter lang niet zo talrijk was als die van vrije arbeiders.
De rol van Byzantijnse vrouwen hing, net als die van mannen, af van hun sociale rang. Van aristocratische vrouwen werd verwacht dat ze het huishouden bestuurden en voor de kinderen zorgden. Hoewel ze eigendom konden bezitten, konden ze geen openbaar ambt bekleden en brachten ze hun vrije tijd door met weven, winkelen, naar de kerk gaan of lezen (hoewel ze geen formele opleiding hadden genoten). Weduwen werden voogd van hun kinderen en konden evenveel erven als hun broers. Veel vrouwen werkten, net als mannen, in de landbouw, in verschillende productie-industrieën en in de horeca. Vrouwen konden hun eigen land en bedrijven bezitten, en sommigen konden hun sociale positie verbeteren door te trouwen. De minst gerespecteerde beroepen waren, net als elders, die van prostituees en actrices.
Gebieden van het Byzantijnse Rijk
De geografische omvang van het Byzantijnse Rijk veranderde in de loop der eeuwen met het verloop van de militaire successen en mislukkingen van individuele keizers. Gebieden die in bezit waren tijdens de vroege geschiedenis van het rijk, omvatten Egypte, Syrië, Jordanië, Libanon en Palestina. Griekenland was in praktisch opzicht minder belangrijk dan als symbool van het Byzantijnse zelfbeeld: dat van de ware erfgenaam van de Grieks-Romeinse cultuur. Italië en Sicilië werden, zij het uiteindelijk zonder succes, verdedigd tegen de ambities van pausen en de Noormannen. De Balkan tot aan de Donau was altijd belangrijk, en Klein-Azië tot aan de kust van de Zwarte Zee in het noorden en Armenië in het oosten vormden een voorname bron van rijkdom, maar beide regio's moesten geregeld en krachtig worden verdedigd tegen diverse eeuwige vijanden.
Terwijl de politieke kaart voortdurend werd hertekend met de opkomst en ondergang van naburige rijken, vonden er opmerkelijke gebeurtenissen plaats, zoals de succesvolle verdediging van het rijk door Anastasios I (491-518) tegen zowel de Perzen als de Bulgaren. Justinianus I, bijgestaan door zijn begaafde generaal Belisarius (ca. 500-565), heroverde gebieden in Noord-Afrika, Spanje en Italië die door de westerse keizers waren verloren. De Longobarden in Italië en de Slaven op de Balkan drongen in de tweede helft van de 6e eeuw het rijk binnen, een situatie die uiteindelijk werd gekeerd door Heraclius (r. 610-641), die met zijn overwinning bij Nineveh in 627 effectief een einde maakte aan het Perzische Sassanidische Rijk.
De islamitische veroveringen van de 7e en 8e eeuw beroofden het rijk van zijn gebieden in de Levant (waaronder Jeruzalem in 637), Noord-Afrika en Oost-Klein-Azië. Het rijk bleef echter standvastig als bolwerk tegen de Arabische expansie in Europa, waarbij Constantinopel tweemaal standhield tegen vastberaden Arabische belegeringen (674-8 en 717-18). Het Byzantijnse Rijk werd hierdoor echter tot op zijn grondvesten geschokt. In de 9e eeuw deden de Bulgaren vervolgens aanzienlijke invallen in de noordelijke gebieden van het Rijk. Een heropleving van het Byzantijnse fortuin kwam met de (onjuist zo genoemde) Macedonische dynastie (867-1057). De stichter van deze dynastie, Basilius I (r. 867-886), heroverde Zuid-Italië, rekende af met de lastige Kretenzische piraten en behaalde overwinningen op de Arabieren op Cyprus, het Griekse vasteland en in Dalmatië. De volgende keizer, Leo VI (r. 886-912), verloor het grootste deel van de veroveringen weer, maar halverwege de 10e eeuw werden overwinningen behaald in het door moslims beheerste Mesopotamië.
Basilius II (976-1025), bekend als de 'Bulgarenmoordenaar' vanwege zijn overwinningen in de Balkan, zorgde voor een nieuwe opmerkelijke opleving van het Byzantijnse rijk. Geholpen door een leger van woeste krijgers van Viking-afkomst uit Kiev, behaalde hij ook overwinningen in Griekenland, Armenië, Georgië en Syrië, waardoor het rijk in omvang verdubbelde. Het was echter de laatste grote triomf, want daarna begon een geleidelijke neergang. Na de schokkende nederlaag tegen de Seltsjoeken in de Slag bij Manzikert in Armenië in 1071 vond er een korte opleving plaats onder Alexios I Komnenos (regeerde van 1081 tot 1118) met overwinningen op de Noormannen in Dalmatië, de Pechenegs in Thracië en de Seltsjoeken in Palestina en Syrië (met de hulp van de eerste kruisvaarders), maar er leken te veel vijanden in te veel regio's te zijn om de bloei van Byzantium blijvend te kunnen verzekeren.
In de 12e en 13e eeuw veroverde het Sultanaat van Rum de helft van Klein-Azië en daarna sloeg het noodlot toe, toen de legers van de Vierde Kruistocht in 1204 Constantinopel plunderden. Het rijk werd verdeeld tussen Venetië en zijn bondgenoten en bestond alleen nog in ballingschap tot het in 1261 werd hersteld. In de 14e eeuw bestond het rijk uit een klein gebied in het zuidelijkste puntje van Griekenland en een stuk grondgebied rond de hoofdstad. De genadeslag kwam, zoals reeds vermeld, met de Ottomaanse plundering van Constantinopel in 1453.
De Byzantijnse Kerk
Nog eeuwenlang na de stichting van Byzantium bleven de Romeinse, 'heidense' godsdienstige praktijken bestaan, maar het was het christendom dat het bepalende kenmerk van de Byzantijnse cultuur werd en dat een diepgaande invloed had op de politiek, de buitenlandse betrekkingen, de kunst en de architectuur. De kerk stond onder leiding van de patriarch of bisschop van Constantinopel, die door de keizer werd benoemd of ontslagen. Lokale bisschoppen, die de leiding hadden over grotere steden en de omliggende gebieden en die zowel de kerk als de keizer vertegenwoordigden, beschikten over aanzienlijke rijkdom en macht in hun lokale gemeenschappen. Het christendom werd zo een belangrijke gemeenschappelijke noemer die hielp om diverse culturen samen te brengen in één rijk, dat bestond uit christelijke Grieken, Armeniërs, Slaven, Georgiërs en vele andere minderheden, en mensen met andere geloofsovertuigingen, zoals joden en moslims, die hun religie vrij mochten belijden.
De verschillen tussen de oosterse en westerse kerk vormden een reden waarom het Byzantijnse Rijk er zo slecht van afkwam in de middeleeuwse westerse geschiedschrijving. Byzantijnen werden vaak afgeschilderd als decadent en onbetrouwbaar, hun cultuur als stagnerend en hun godsdienst als een gevaarlijke ketterij. De kerken van het oosten en het westen waren het oneens over wie voorrang moest krijgen, de paus of de patriarch van Constantinopel. Ook over leerstellige kwesties bestond onenigheid, zoals over de vraag of Jezus Christus zowel een menselijke als een goddelijke natuur had of alleen een goddelijke. Het celibaat van geestelijken, het gebruik van gezuurd of ongezuurd brood, de taal van de eredienst en het gebruik van beelden waren allemaal punten van verschil, die, aangewakkerd door politieke en territoriale ambities in een explosieve mix van emoties, leidden tot het Schisma van 1054.
De Byzantijnse kerk had ook haar eigen interne geschillen; het meest beruchte was het conflict over het iconoclasme ofwel de 'vernietiging van beelden', van 726-787 en van 814-843. De pausen en veel Byzantijnen waren voorstander van het gebruik van iconen - afbeeldingen van heilige personages, maar vooral van Jezus Christus. Tegenstanders van dit gebruik van iconen waren van mening dat ze tot afgoden waren verworden en dat het godslasterlijk was om te denken dat God in de kunst kon worden afgebeeld. De kwestie wakkerde ook het debat aan over de vraag of Christus twee naturen had of één, en of een icoon daarom alleen het menselijke aspect vertegenwoordigde. Verdedigers van iconen zeiden dat het niet meer dan artistieke impressies waren, die ongeletterden hielpen om het goddelijke beter te begrijpen. Tijdens de golf van iconoclasme werden veel kostbare kunstwerken vernietigd, vooral tijdens de regeringen van Leo III (r. 717-741) en zijn opvolger Constantijn V (r. 741-775), toen zelfs mensen die iconen vereerden (iconodulen) werden vervolgd. De kwestie werd in 843 in het voordeel van de iconen opgelost, een gebeurtenis die bekend staat als de "Triomf van de Orthodoxie".
Het kloosterleven was een bijzonder kenmerk van het Byzantijnse religieuze leven. Mannen en vrouwen trokken zich terug in kloosters waar ze hun leven wijdden aan Christus en het helpen van armen en zieken. Daar leefden ze een eenvoudig leven volgens regels die waren opgesteld door belangrijke kerkelijke figuren zoals Basilius de Grote (ca. 330 - ca. 379). Veel monniken waren ook geleerden, met als bekendste voorbeeld Sint Cyrillus (overleden in 867), die het Glagolitische alfabet uitvond. Een opmerkelijke vrouw die haar tijd in het klooster goed besteedde, was Anna Komnene (1083-1153), die haar Alexiade schreef over het leven en de regering van haar vader Alexios I Komnenos (regeerde van 1081 tot 1118). Kloosters werden zo onschatbare opslagplaatsen van teksten en kennis, terwijl hun wijnproductie en iconenateliers ook zeer gewaardeerd werden. Een van de meest beroemde kloosterlocaties is de berg Athos bij Thessaloniki, waar monniken zich vanaf de 9e eeuw vestigden en uiteindelijk 46 kloosters bouwden, waarvan er vele nog steeds bestaan.
Byzantijnse kunst
Byzantijnse kunstenaars stapten af van het naturalisme van de klassieke traditie en gingen meer abstract en universeel werken, waarbij ze een duidelijke voorkeur toonden voor tweedimensionale voorstellingen. Het feit dat er zo weinig signaturen te vinden zijn op kunstwerken van vóór de 13e eeuw, suggereert dat kunstenaars geen hoge sociale status genoten. Kunstwerken die een religieuze boodschap uitdroegen – voornamelijk de noodzaak van verlossing en een versterking van het geloof – werden in grote aantallen geproduceerd, met als belangrijkste voorbeelden muurmozaïeken, muurschilderingen en iconen. Hoewel iconen in vrijwel elke vorm konden worden gemaakt, waren kleine beschilderde houten panelen het populairst. Ze waren ontworpen om te worden meegenomen of aan de muur te worden gehangen en werden gemaakt met behulp van de encaustische techniek, waarbij gekleurde pigmenten werden gemengd met was en als inlegwerk in het hout werden gebrand. Om de communicatie tussen de toeschouwer en het goddelijke te vergemakkelijken, worden de afbeeldingen meestal frontaal weergegeven met een nimbus of aureool om hun heiligheid te benadrukken.
Byzantijnse mozaïeken, die tegenwoordig het best te zien zijn in de Hagia Sophia in Istanbul of de kerk van San Vitale in Ravenna, stelden heilige figuren, keizers en keizerinnen, kerkelijke functionarissen en scènes uit het dagelijks leven voor, met name uit de landbouw. Grootschalige beeldhouwkunst lijkt minder populair te zijn geweest dan in de vroegere Oudheid, maar er werden wel grote aantallen gebeeldhouwde marmeren sarcofagen geproduceerd. Ten slotte was metaalbewerking, vooral met emaille en cabochon geslepen halfedelstenen, een Byzantijnse specialiteit, en ambachtslieden produceerden veel hoogwaardige en ingewikkeld ontworpen borden, bekers, allerlei soorten sieraden, boekomslagen (vooral voor bijbels) en reliekschrijnen (kistjes voor het bewaren van heilige relikwieën).
Byzantijnse architectuur
Byzantijnse architecten bleven de klassieke ordes in hun gebouwen toepassen en haalden onder andere ideeën uit het Nabije Oosten. Ontwerpen werden eclectischer dan in de oudheid, vooral met de gangbare gewoonte om materialen van oudere gebouwen te hergebruiken voor nieuwe constructies. Er was ook een duidelijke nadruk op functie boven vorm en er was meer aandacht voor het interieur dan voor het exterieur van gebouwen. De Byzantijnen bleven typisch Romeinse constructies bouwen, zoals gewelfde aquaducten, amfitheaters, hippodromen, baden en villa's, maar voegden daar ook koepelkerken, ommuurde kloosters en meer geavanceerde vestingmuren aan toe.
Favoriete bouwmaterialen waren grote bakstenen, met mortel en beton voor de verborgen kernen van muren. In prestigieuze openbare gebouwen werden natuurstenen blokken gebruikt, terwijl marmer, dat spaarzamer werd gebruikt dan in vroegere Romeinse tijden, over het algemeen werd gereserveerd voor zuilen, deur- en raamkozijnen en andere decoratieve elementen. Daken waren van hout, terwijl binnenmuren vaak werden bedekt met pleisterwerk, stucwerk, dunne marmeren plaquettes, schilderingen en mozaïeken.
Het grootste, belangrijkste en nog steeds beroemdste Byzantijnse gebouw is de Hagia Sophia in Constantinopel, gewijd aan de heilige wijsheid (hagia sophia) van God. Het werd opnieuw gebouwd in 532-537 en heeft een rechthoekige vorm van 74,6 x 69,7 meter. Het enorme koepelvormige plafond bevindt zich 55 meter boven de vloer en heeft een diameter van 31,8 meter. De koepel rust op vier massieve bogen met vier ondersteunende pendentieven en was voor die tijd een spectaculaire architectonische prestatie. De Hagia Sophia bleef tot de 16e eeuw de grootste kerk ter wereld en was een van de meest versierde kerken met prachtige glinsterende mozaïeken en muurschilderingen.
Christelijke kerkbouw vormde in het algemeen een van de grootste bijdragen van de Byzantijnen aan de architectuur, met name het gebruik van de koepel. Het kruisvormige grondplan werd het meest gangbaar, met de koepel gebouwd boven vier ondersteunende bogen. De vierkante basis van het gebouw vertakte zich vervolgens in traveeën die zelf een half of volledig koepelplafond konden hebben. Een ander veelvoorkomend kenmerk is een centrale apsis met twee zijapsissen aan de oostkant van de kerk. In de loop van de tijd werd de centrale koepel steeds hoger op een veelhoekige trommel gebouwd, die in sommige kerken zo hoog is dat hij eruitziet als een toren. Veel kerken, vooral basilieken, kregen naast zich een doopkapel (meestal achthoekig) en soms een mausoleum voor de stichter van de kerk en zijn nakomelingen. Dergelijke Byzantijnse ontwerpkenmerken zouden de orthodox-christelijke architectuur blijven beïnvloeden en zijn dus nog steeds te zien in kerken over de hele wereld.
