Babylon is de beroemdste stad uit het oude Mesopotamië; de ruïnes ervan liggen in het huidige Hillah, Irak, op 94 km ten zuidwesten van Bagdad. De naam is afgeleid van bav-il of bav-ilim, wat in het Akkadisch „Poort van God" (of „Poort van de Goden") betekende, en in het Grieks werd weergegeven als Babylon. In die tijd was het een belangrijk cultureel en religieus centrum en, op het hoogtepunt van zijn bloei, de grootste stad ter wereld.
De stad werd door oude Griekse schrijvers met ontzag beschreven en zou de locatie zijn geweest van de Hangende Tuinen van Babylon, een van de Zeven Wereldwonderen uit de Oude Wereld. Haar reputatie is aangetast door de vele ongunstige verwijzingen ernaar in de Bijbel, te beginnen met Genesis 11:1-9 en het verhaal van de Toren van Babel, dat in verband wordt gebracht met de Etemenanki („Huis van het Fundament van Hemel en Aarde"), de grote ziggurat van Babylon.
De stad komt ook in een ongunstig daglicht te staan in de boeken Daniël, Jeremia en Jesaja, en met name in het boek Openbaringen. Wetenschapper Paul Kriwaczek merkt op dat Babylon „haar slechte reputatie regelrecht aan de Bijbel kan toeschrijven" (167). Hoewel geen van deze verhalen de stad dus in een gunstig daglicht stelt, gaven ze haar uiteindelijk wel haar roemruchte naam in de moderne tijd, wat leidde tot de herontdekking van de stad door de Duitse archeoloog Robert Koldewey in 1899.
De stichting van Babylon begon op enig moment vóór de regering van Sargon van Akkad (de Grote, 2334-2279 v.Chr.) en lijkt een onbeduidende havenstad aan de Eufraat te zijn geweest tot de opkomst van Hammurabi (r. 1792-1750 v.Chr.), die de stad tot hoofdstad van zijn Babylonische Rijk maakte. Na de dood van Hammurabi viel diens rijk snel uiteen. De stad werd in 1595 v.Chr. geplunderd door de Hittieten en vervolgens ingenomen door de Kassieten, die haar omdoopten tot Karanduniash.
De stad stond korte tijd onder heerschappij van de Chaldeeën (9e eeuw v.Chr.), een benaming die voor latere Griekse schrijvers (met name Herodotus) en bijbelse schrijvers synoniem werd met de Babyloniërs, en stond vervolgens onder controle van het Nieuw-Assyrische Rijk (912–612 v.Chr.), voordat het werd veroverd door Nabopolassar (r. 626–605 v.Chr.), die het Nieuw-Babylonische Rijk stichtte. Babylon viel in handen van de Perzen onder Cyrus II (de Grote, r. circa 550-530 v.Chr.) en was de hoofdstad van het Achaemenidische Rijk (550-330 v.Chr.) totdat het in 331 v.Chr. ten prooi viel aan Alexander de Grote.
De stad bleef een handelscentrum van het latere Seleucidenrijk (312-63 v.Chr.), het Parthische Rijk (247 v.Chr. tot 224 n.Chr.), en het Sassanidische Rijk (224–651), maar bereikte nooit meer de hoogtijdagen die het had gekend onder Hammurabi of de Nieuw-Babylonische koning Nebukadnezar II (regeerperiode 605/604–562 v.Chr.). De stad raakte in verval na de islamitisch-Arabische verovering in de 7e eeuw en werd uiteindelijk verlaten.
Tot de ontdekking ervan in de 19e eeuw was de stad alleen bekend van bijbelse verhalen en klassieke schrijvers. In de jaren 1980 werden onder toenmalig president Saddam Hoessein pogingen ondernomen tot restauratie, waaronder een reconstructie van de Ishtarpoort (de originele poort bevindt zich momenteel in het Pergamonmuseum in Berlijn). In 2019 werden de ruïnes van de grote stad uitgeroepen tot UNESCO-werelderfgoed.
Havenstad; Hammurabi
De vroegste vermelding van de stad is afkomstig uit een inscriptie uit de tijd van Sargon van Akkad. Het lijkt erop dat het in die tijd een kleine maar winstgevende havenstad aan de rivier was. Onder de latere Akkadische koning Shar-Kali-Sharri (regeerperiode 2217-2193) wordt vermeld dat er twee tempels in Babylon werden gebouwd, en later kwam de stad onder de heerschappij van Kazallu te staan, totdat ze werd bevrijd door de Amoritische stamhoofd Sumu-abum (regeerperiode circa 1895 v.Chr.), wiens opvolger, Sumu-la-ilu (ook wel Suma-la-El genoemd, regeerperiode 1880-1845 v.Chr.), de stichter was van de eerste koningsdynastie in Babylon. De stad was in die tijd nog steeds een kleine haven, overschaduwd door naburige stadstaten.
Koning Sin-Muballit (regeerperiode 1812–1793 v.Chr.) verfraaide de stad, maar slaagde er niet in haar boven de andere te verheffen; uiteindelijk leidde hij een militaire veldtocht tegen de machtigste van de naburige stadstaten, Larsa, maar werd verslagen. Hij werd gedwongen af te treden ten gunste van zijn zoon, Hammurabi, die zich in stilte onderwierp aan de koning van Larsa en zich bezighield met het versterken van de muren van Babylon en het verfraaien van de stad, terwijl hij in het geheim een leger opbouwde en trainde.
Toen Larsa hem vroeg troepen te leveren om de binnenvallende Elamieten af te slaan, gaf Hammurabi hieraan gehoor, maar zodra de regio was veiliggesteld, veroverde hij de steden Isin en Uruk op Larsa, sloot allianties met Lagash en Nippur en veroverde Larsa volledig. Vervolgens zette hij zijn veldtochten voort, vaardigde zijn wetboeken uit, veroverde Mesopotamië en stichtte zo zijn rijk.
Het Wetboek van Hammurabi is welbekend, maar slechts één voorbeeld van het beleid dat hij voerde om de vrede te handhaven en welvaart te bevorderen. Hij breidde de stadsmuren uit en verhoogde ze, voerde grootschalige openbare werken uit, waaronder weelderige tempels en kanalen, en maakte diplomatie tot een integraal onderdeel van zijn bestuur.
Hij was zo succesvol in zowel diplomatie als oorlogvoering dat hij tegen 1755 v.Chr. heel Mesopotamië had verenigd onder de heerschappij van Babylon, dat tegen die tijd de grootste stad ter wereld was met een bevolking van naar schatting meer dan 200.000 inwoners. De stad was na de veroveringen van Hammurabi zo machtig en beroemd dat heel Zuid-Mesopotamië Babylonië werd genoemd.
De Assyriërs en Nebukadnezar II
Na de dood van Hammurabi viel zijn rijk uiteen, en Babylonië slonk in omvang en invloed totdat Babylon in 1595 v.Chr. gemakkelijk door de Hittieten werd geplunderd. De Kassieten volgden de Hittieten op en hernoemden de stad tot Karanduniash. Ergens tussen de 14e en 9e eeuw v.Chr. werd begonnen met de bouw van de grote ziggurat van Babylon, die later in verband zou worden gebracht met de Toren van Babel. Men denkt dat dit verband is ontstaan door een verkeerde interpretatie van het Akkadische 'bav-il' (Poort van de Goden) als het Hebreeuwse 'bavel' ( verwarring).
In het verhaal uit Genesis hopen de mensen naam te maken zodat ze na hun dood herinnerd zullen worden, en daarom beginnen ze een grote toren te bouwen om de hemel te bereiken. God is hierover vertoornd, omdat hij vreest dat, als de mensen hun doel mogen bereiken, zij de macht zullen krijgen om andere dingen te ondernemen en zo de natuurlijke orde zullen verstoren. Daarom besluit hij dat zij niet langer dezelfde taal mogen spreken, brengt hij verwarring in hun spraak, en aangezien zij elkaar niet meer kunnen verstaan, blijft de toren onvoltooid.
Wetenschapper Samuel Noah Kramer legt het verhaal uit als een poging om de vele ziggurats, waaronder die van Babylon, te verklaren die in ruïnes zijn aangetroffen en door Hebreeuwse schriftgeleerden zijn gezien of aan hen zijn beschreven (Sumerians, 293-294). Kramer stelt dat de vervallen toestand van deze grandioze bouwwerken duidde op een goddelijke straf „door een toornige godheid" voor de arrogantie van de mensheid bij het bouwen van monumenten die de hemel zouden bereiken. Voor de Sumeriërs waren de ziggurats echter (zoals Kramer ook opmerkt) een vorm van verbinding tussen het rijk van de stervelingen en dat van het goddelijke.
De Assyriërs volgden de Kassieten op als heersers over de regio, en onder het bewind van de Nieuw-Assyrische koning Sennacherib (705-681 v.Chr.) kwam Babylon voortdurend in opstand. Sennacherib verloor uiteindelijk zijn geduld in 689 v.Chr. en liet de stad plunderen, met de grond gelijk maken en de ruïnes verspreiden als een les voor anderen. Zijn extreme maatregelen werden door het volk in het algemeen en door het hof van Sennacherib in het bijzonder als goddeloos beschouwd, en hij werd kort daarna vermoord door zijn zonen, die de daad rechtvaardigden als wraak voor de verwoesting van Babylon.
Zijn opvolger, Esarhaddon (r. 681-669 v.Chr.), zette de inspanningen in gang om Babylon in zijn oude glorie te herstellen en hield persoonlijk toezicht op de werkzaamheden. De stad kwam later in opstand tegen zijn opvolger, Ashurbanipal (r. 668-627 v.Chr.), die de opstand neersloeg maar Babylon niet in grote mate beschadigde en de stad zelfs persoonlijk zuiverde van de boze geesten die geacht werden de oorzaak van de onrust te zijn geweest. De reputatie van de stad als centrum van wetenschap en cultuur was tegen die tijd al stevig gevestigd.
Na de val van het Assyrische Rijk besteeg de Chaldeeuwse koning Nabopolassar de troon van Babylon en stichtte, door middel van zorgvuldig gesmeedde allianties, het Nieuw-Babylonische Rijk. Zijn zoon Nebukadnezar II liet de stad renoveren, waardoor deze een oppervlakte van 900 hectare besloeg en kon bogen op enkele van de mooiste en indrukwekkendste bouwwerken in heel Mesopotamië.
Elke schrijver uit de oudheid die de stad Babylon noemt – met uitzondering van de bijbelse schrijvers – spreekt er met ontzag over bij het beschrijven van de grote ziggurat Etemenanki – „Het Fundament van Hemel en Aarde" –, de immense stadsmuren, de Ishtarpoort en de Hangende Tuinen. Herodotus merkt het volgende op over de omvang van de stad:
De stad ligt op een uitgestrekte vlakte en is een volmaakt vierkant, honderdtwintig stadia lang in elke richting, zodat de gehele omtrek vierhonderdtachtig stadia bedraagt. Hoewel zij zo groot is, is er qua pracht geen enkele andere stad die haar evenaart. Zij wordt in de eerste plaats omringd door een brede en diepe gracht, vol water, waarachter een muur oprijst van vijftig koninklijke el breed en tweehonderd hoog.
(I.178)
Hoewel algemeen wordt aangenomen dat Herodotus de afmetingen van de stad sterk heeft overdreven (en de plaats misschien zelf nooit heeft bezocht), weerspiegelt zijn beschrijving de bewondering van andere schrijvers uit die tijd, die de pracht van Babylon, en met name de grote muren, als een wereldwonder beschreven.
Het was in de Nieuw-Babylonische periode, onder het bewind van Nebukadnezar II (toen ook de Babylonische ballingschap van de Joden begon), dat de Hangende Tuinen van Babylon naar verluidt werden aangelegd en de beroemde Ishtarpoort werd gebouwd. De Hangende Tuinen worden het meest expliciet beschreven in een passage van Diodorus Siculus (90-30 v.Chr.) in zijn werk Bibliotheca Historica, boek II.10:
Er was ook, vanwege de akropolis, de zogenaamde Hangende Tuin, die niet door Semiramis was aangelegd, maar door een latere Syrische koning om een van zijn concubines te behagen; want zij, zo zegt men, was van Perzische afkomst en verlangde naar de weiden van haar bergen, en vroeg de koning om door middel van een aangelegde tuin het kenmerkende landschap van Perzië na te bootsen.
Het park strekte zich aan elke kant vier plethra (plm. 120 m) uit, en aangezien de toegangsweg naar de tuin hellend was als een heuvelflank en de verschillende delen van het bouwwerk laag voor laag boven elkaar uitrezen, leek het geheel op een theater.
Toen de oplopende terrassen eenmaal waren aangelegd, werden er onderaan galerijen gebouwd die het volledige gewicht van de aangelegde tuin droegen en die langs de toegangsweg beetje bij beetje boven elkaar uitstaken; en de bovenste galerij, die vijftig el hoog was, droeg het hoogste niveau van het park, dat op gelijke hoogte was gebracht met de ommuring van de kantelen van de stad.
Bovendien waren de muren, die tegen hoge kosten waren opgetrokken, tweeëntwintig voet dik, terwijl de doorgang tussen elk paar muren tien voet breed was. De daken van de galerijen waren bedekt met stenen balken van zestien voet lang, inclusief de overlapping, en vier voet breed.
Het dak boven deze balken bestond eerst uit een laag riet, gedrenkt in grote hoeveelheden bitumen; daaroverheen lagen twee lagen gebakken bakstenen, met elkaar verbonden door cement; en als derde laag een bekleding van lood, opdat het vocht uit de grond er niet onderdoor zou dringen.
Bovenop dit alles was weer aarde opgestapeld tot een diepte die voldoende was voor de wortels van de grootste bomen; en de grond, die was geëgaliseerd, was dicht beplant met bomen van allerlei soort die, door hun grote omvang of een andere bijzonderheid, de toeschouwer plezier konden schenken.
En aangezien de galerijen, waarvan elk verder uitstak dan de vorige, allemaal licht ontvingen, bevatten ze vele koninklijke verblijven van allerlei aard; en er was één galerij met openingen, die vanaf het bovenste oppervlak naar buiten leidden, en machines om de tuin van water te voorzien, waarbij het water in grote overvloed uit de rivier omhoog werd gepompt, maar niemand kon van buitenaf zien hoe dit gebeurde. Dit park was, zoals ik al zei, een latere aanleg.
Dit deel van het werk van Diodorus betreft de halfmythische koningin Semiramis (waarschijnlijk gebaseerd op de werkelijke Assyrische koningin Sammu-Ramat, die regeerde van 811 tot 806 v.Chr.). Zijn verwijzing naar „een latere Syrische koning" volgt de neiging van Herodotus om Mesopotamië „Assyrië" te noemen. Recente wetenschappelijke studies over dit onderwerp stellen dat de Hangende Tuinen nooit in Babylon hebben gelegen, maar in plaats daarvan het werk waren van Sennacherib in zijn hoofdstad Nineve. Wetenschapper Christopher Scarre schrijft:
Het paleis van Sennacherib [in Nineve] beschikte over alle gebruikelijke kenmerken van een belangrijke Assyrische residentie: kolossale bewakingsfiguren en indrukwekkend gebeeldhouwde stenen reliëfs (meer dan 2.000 gebeeldhouwde platen in 71 kamers). Ook de tuinen waren uitzonderlijk. Recent onderzoek door de Britse assyriologe Stephanie Dalley suggereert dat dit de beroemde Hangende Tuinen waren, een van de zeven wereldwonderen uit de oudheid. Latere schrijvers situeerden de Hangende Tuinen in Babylon, maar uitgebreid onderzoek heeft geen enkel spoor ervan kunnen vinden. Sennacheribs trotse beschrijving van de paleistuinen die hij in Nineve aanlegde, komt in verschillende belangrijke details overeen met die van de Hangende Tuinen.
(231)
Als de tuinen in Babylon lagen, zouden ze deel hebben uitgemaakt van het centrale complex van de stad. De rivier de Eufraat verdeelde de stad in tweeën, tussen oude en nieuwe wijken, met de tempel van Marduk en de grote, torenhoge ziggurat in de nieuwe wijk, waar de tuinen hoogstwaarschijnlijk ook zouden zijn gelegen. Straten en lanen waren onder Esarhaddon verbreed om de jaarlijkse processie van het standbeeld van de grote god Marduk beter te kunnen accommoderen tijdens de tocht van zijn thuistempel in de stad naar de Nieuwjaarsfeesttempel buiten de Ishtarpoort, en deze werden verder verbeterd door Nebukadnezar II, van wie ook wordt gezegd dat hij de Etemenanki voltooide.
De Perzische verovering
Het Nieuw-Babylonische Rijk bestond voort na de dood van Nebukadnezar II, en Babylon bleef een belangrijke stad onder Nabonidus (regeerperiode 556-539 v.Chr.), die bekendstaat als „de eerste archeoloog" vanwege zijn restauratie-inspanningen van oudere vindplaatsen (zoals de ziggurat van Ur). In 539 v.Chr. viel het rijk ten prooi aan de Perzen onder Cyrus de Grote tijdens de Slag bij Opis. De muren van Babylon waren onneembaar, en daarom bedachten de Perzen een slim plan waarbij ze de loop van de Eufraat omleidden, zodat de rivier tot een beheersbare diepte daalde.
Terwijl de inwoners van de stad afgeleid waren door een van hun grote religieuze feestdagen, waadde het Perzische leger de rivier over en marcheerde onopgemerkt onder de muren van Babylon door. Er werd beweerd dat de stad zonder slag of stoot werd ingenomen, hoewel documenten uit die tijd aangeven dat er herstelwerkzaamheden aan de muren en sommige delen van de stad moesten worden uitgevoerd, en dus was de verovering wellicht niet zo moeiteloos als het Perzische verslag beweerde.
Onder Perzisch bewind bloeide Babylon op als een centrum van kunst en onderwijs. Cyrus en zijn opvolgers hadden grote waardering voor de stad en maakten er een van de bestuurlijke hoofdsteden van hun rijk van. De Babylonische wiskunde, kosmologie en astronomie stonden in hoog aanzien, en men neemt aan dat Thales van Milete (585 v.Chr.), de „eerste filosoof", daar studeerde en dat de latere filosoof Pythagoras (circa 571 tot circa 497 v.Chr.) zijn beroemde wiskundige stelling ontwikkelde op basis van een Babylonisch model.
Conclusie
Nadat het Achaemenidische Rijk in 331 v.Chr. ten prooi viel aan Alexander de Grote, bleef hij de stad met respect behandelen en gaf hij zijn manschappen opdracht de gebouwen niet te beschadigen en de inwoners niet lastig te vallen. Hij hoopte de stad te verfraaien en te herstellen, maar stierf voordat zijn plannen konden worden uitgevoerd. Wetenschapper Stephen Bertman merkt op:
Vóór zijn dood gaf Alexander de Grote opdracht om de bovenbouw van de ziggurat van Babylon af te breken, opdat deze met nog grotere pracht opnieuw zou kunnen worden opgebouwd. Maar hij heeft zijn project nooit kunnen voltooien. Door de eeuwen heen zijn de verspreide bakstenen door boeren gebruikt om bescheidener dromen te verwezenlijken. Het enige dat nog overblijft van de legendarische Toren van Babel is de bodem van een moerassige vijver.
(14)
Na Alexanders dood in Babylon in 323 v.Chr., tijdens de Oorlogen van de Diadochen, vochten zijn opvolgers om zijn rijk in het algemeen en om de stad in het bijzonder, tot het punt waarop de inwoners voor hun veiligheid vluchtten (of, volgens een oud verslag, werden hervestigd). Tegen de tijd dat het Parthische Rijk over de regio heerste, was Babylon nog slechts een schim van wat het ooit was geweest. De stad raakte gestaag in verval en kwam, zelfs tijdens een korte opleving onder het Sassanidische Rijk, nooit meer in de buurt van haar vroegere grootsheid.
Tijdens de islamitisch-Arabische verovering van het gebied in 651 werd wat er nog van Babylon over was weggevaagd en raakte het na verloop van tijd bedolven onder het zand. In de 17e en 18e eeuw begonnen Europese reizigers het gebied te verkennen en keerden ze naar huis terug met diverse interessante artefacten. In de 19e eeuw financierden Europese musea en instellingen voor hoger onderwijs, in de hoop archeologisch bewijs te vinden voor bijbelse verhalen, verschillende expedities naar de regio, waarbij veel van de grootste Mesopotamische steden werden blootgelegd; waaronder ook Babylon, de eens zo machtige Poort van de Goden.
