In de studie naar de oudheid wordt een stad over het algemeen gedefinieerd als een groot bevolkt stedelijk centrum van handel en bestuur voorzien van een systeem van wetten en meestal, gereguleerde sanitaire voorzieningen. Dit is echter slechts één definitie en de aanduiding ‘stad’ kan worden gebaseerd op factoren als:
- bevolking van de nederzetting
- hoogte van gebouwen
- dichtheid van de gebouwen en de bevolking
- aanwezigheid van een soort rioolsysteem
- mate van administratief bestuur
- aanwezigheid van (stads)muren en/of fortificaties
- geografisch gebied van bewoning
- of wanneer een nederzetting in de oudheid een ‘stad’ werd genoemd en op zijn minst één van de bovenstaande kwalificaties voldoet.
In de oudheid wordt een ‘stad’ vaak omschreven als een stedelijk centrum met hoge bevolkingsdichtheid en een bepaald patroon van gebouwen die zich verspreiden vanuit een centraal religieus complex zoals een tempel (alhoewel, frustrerend genoeg, dit ook soms ook van toepassing is op een ‘dorp’ of ‘nederzetting’). Het Engelse woord ‘city’ stamt af van het Latijnse civitas, ondanks dat de stedelijke ontwikkeling vele eeuwen voor Rome begon. Professor M.E. Smith van Arizona State University stelt in The Sage Encyclopedia of Urban Studies dat “de demografische definitie, gebaseerd op het concept van Louis Wirth, identificeert steden als grote, dichtbevolkte nederzettingen met sociale heterogeniteit” (26), wat betekent dat ze worden gedefinieerd als grote gemeenschappen van mensen die besloten hebben om samen te leven voor een gezamenlijk doel met wetten die door iedereen in acht genomen worden. Deze definitie kan echter zowel voor grote dorpen als voor steden gelden.
Professor George Modelski, van de University of Washington, is voorstander van een definitie gebaseerd op het werk van de historicus Tertius Chandler (in zijn boek Four Thousand Years of Urban Growth) waarbij het onderscheid tussen een stad ten opzichte van een dorp wordt gebaseerd op bevolking. Modelski schrijft:
Twee elementen zijn van belang bij een schatting van een bevolking: de beoordeling van de plaats door archeologen (dan wel het gebied van een stedelijke nederzetting, in het algemeen, of een schatting of een daadwerkelijk telling van huizen) en de factor van bevolkingsdichtheid, dan wel ‘macro’ voor de gehele stedelijke plaats dan wel ‘micro’ per woning ratio… De micro-inschatting vereist een betrouwbare telling van huizen en dat is niet echt mogelijk voor de meeste plaatsen. Aan de andere kant kan een macro-factor ook aan fouten onderhevig zijn, zoals het negeren van lokale omstandigheden. (3)
Ondanks de problemen die inherent zijn aan deze inschattingen, stelt Modelski dat ze nog steeds de beste manier zijn om een grote nederzetting te onderscheiden van een daadwerkelijke stad, omdat bevolkingsdichtheid geldt als de meest betrouwbare factor om zo’n onderscheid te maken. Door Chandler’s manier van definiëren toe te passen kunnen nederzettingen zoals Tell Brak in hedendaags Syrië (gesticht in circa 6000 v.Chr.) ten gevolge daarvan niet worden aangemerkt als steden. Professor Smith schrijft:
Het concept van de ‘stedelijke revolutie’, als eerste vastgesteld door V. Gordon Childe (1892-1957 n.Chr.), beschrijft een aantal sociale veranderingen die de eerste steden en staten voortbrachten… Deze veranderingen (zoals de oorsprong van sociale klassen en de productie van landbouwoverschotten) voorzagen de vroegste steden van een sociale context. Eens staatsgemeenschappen met een klassenstructuur namen bezit van een regio, individuele steden kwamen op en gingen onder als gevolg van een verscheidenheid van krachten. (26)
De Eerste Stad
De eerste steden die zowel aan Chandler’s als Wirth’s definities van een ‘stad’ voldoen (en tevens aan het vroege werk van de archeoloog Childe) ontstonden in de regio bekend als Mesopotamië tussen 4500 en 3100 v.Chr. De stad Uruk, dat tegenwoordig als oudste in de wereld wordt beschouwd, werd voor het eerst gesticht in circa 4500 v.Chr. en ommuurde steden, ten behoeve van de verdediging, kwamen tegen 2900 v.Chr. veel voor in de regio. De stad Eridu, nabij Uruk, werd beschouwd als de eerste stad in de wereld door de Sumeriërs terwijl de andere steden die de titel van ‘eerste stad’ claimden, Byblos, Jericho, Damascus, Aleppo, Jeruzalem, Sidon, Luoyang, Athene, Argos en Varasani zijn. Al deze steden zijn zeker oud en bevinden zich in regio’s die al vanaf een heel vroeg moment bewoond werden. Uruk is echter de enige mededinger naar de titel van ‘oudste stad’ die beschikt over fysiek bewijs en geschreven documentatie, in de vorm van teksten in spijkerschrift, die de activiteiten van de gemeenschap uit de vroegste periode dateren. Plaatsen zoals Jericho, Sidon en zelfs Eridu, die zonder twijfel voor Uruk gesticht werden, ontbreekt het aan soortgelijke documentatie. Hun leeftijd en continue bewoning is afgemeten op basis van de fundaties van opgegraven gebouwen tijdens archeologische opgravingen in plaats van primaire documenten die ter plaatse gevonden zijn.
De Bevolking van Oude Steden
De bevolking van oude steden, afhankelijk van welke definitie van een ‘stad’ men gebruikt, verschilt sterk van wat men heden ten dage als een stad beschouwt. Professor Smith stelt: “Veel oude steden hadden slechts bescheiden bevolkingen, vaak minder dan 5000 personen” (26), terwijl andere wetenschappers, zoals Modelski, hogere bevolkingsaantallen mogelijk achten in omvang van 10.000 tot 80.000 afhankelijk van de periode waar men naar kijkt. Modelski stelt bijvoorbeeld de bevolking van Uruk op 14.000 in het jaar 3700 v.Chr. echter op 80.000 in het jaar 2800 v.Chr. (12). Ter vergelijking bestond de bevolking van Edinburgh, Schotland, uit 495.360 mensen in 2011 n.Chr., de bevolking van Londen uit 8,174 miljoen in 2011 n.Chr. en de bevolking van New York City in de Verenigde Staten van Amerika bedroeg 8,337 miljoen in 2012 n.Chr. De historicus Lewis Mumford merkt echter op dat “waarschijnlijk geen enkele stad in de oudheid een bevolking van veel meer dan een miljoen inwoners had, zelfs Rome niet; en, op China na, waren er geen latere ‘Romes’ tot de negentiende eeuw” (6). Mumford’s punt benadrukt het probleem van het gebruik van bevolkingsaantallen ter definiëring van een oude stad, aangezien het bewezen is dat stedelijke centra van aangewezen ‘nederzettingen’ (zoals Tell Brak) grotere bevolkingen hadden dan veel moderne steden tegenwoordig. De samenkomst van een bevolking van een regio in een stedelijk centrum werd steeds gebruikelijker met de opkomst van steden in Mesopotamië en, eenmaal omringd door de muren van een stad, nam de bevolking toe of werd zo’n toename op zijn minst meer meetbaar.
Bevolkingsgroei leidde tot het ontstaan van voorsteden en de uitbreiding van de nederzetting buiten haar oorspronkelijke grenzen. Moderne wetenschappers worden vervolgens geconfronteerd met nog een probleem bij het definiëren van een stad: sommigen beweren dat de voorstedelijke uitbreiding niet meegeteld moet worden, waar anderen er op staan dat dit wel gebeurd. Dit probleem is het duidelijkst zichtbaar, zoals vele andere betreffende de definitie van een stad, in het voorbeeld van Tell Brak. Waar de oorspronkelijke nederzetting kleiner geweest kan zijn dan Uruk, was haar oppervlakte tegen het 2de millennium v.Chr. uitgegroeid tot meer dan 320 acres (130 hectare) en omdat het eerder gesticht was pleit dit voor haar claim de oudste stad ter wereld te zijn. Haar bevolking zou aanzienlijk groter zijn geweest dan dat van hedendaags Edinburgh en zou daarom op grond van haar bevolkingsaantal als stad moeten worden beschouwd; het feit dat het door zo veel experts niet als een stad wordt gezien onderstreept het debat gaande tussen hedendaagse wetenschappers over het vaststellen van stadscentra als ‘steden’ of ‘nederzettingen’. Dit debat omvat tevens de vraag of een nederzetting ommuurd moest zijn om daadwerkelijk een ‘stad’ genoemd te kunnen worden.
De Gefortificeerde Stad
Steden met stadsmuren werden door heel Mesopotamië gebruikelijk. De meest bekende en, tegenwoordig, waarschijnlijk de meest controversiële stad uit de oudheid was Babylon. Het blijft controversieel om dezelfde reden als haar roem doordat de stad prominent – en vaak negatief – voorkomt in zoveel Bijbelse verhalen. Echter was Babylon verre van een ‘stad des kwaads’ doch een groots en welvarend, cultureel en intellectueel centrum, die als eerste, naast andere prestaties, de kunst van het maken van glas wist te perfectioneren rond 1500 v.Chr., alsmede de kunsten en wetenschap verder wist te ontwikkelen, zoals de astronomie, de astrologie, de vroege natuurkunde, mathematica, het recht, de literatuur, de architectuur en het beeldhouwen. De grote koning Hammurabi omringde als eerste Babylon met muren in 1792 v.Chr. en bouwde het eerste heilige tempelcomplex voor de god Marduk (de Esagila) inclusief de ziggoerat, een hoge trapsgewijze toren (die wellicht de oorsprong was van het beroemde Bijbelse verhaal over de Toren van Babel), allen gecentreerd rond de rivier de Eufraat. Babylon kende haar hoogtepunt echter tijdens de heerschappij van Nebuchadnezzar II (die leefde van 634-562 v.Chr. en heerste van 605-562 v.Chr.) die de stad driemaal liet omringen met muren die 40 voet (+/- 12 meter) hoog waren en die derhalve breed waren dat er wedstrijden met strijdwagens op deze muren gehouden werden. De muren van Babylon en met name de grootse Ishtar Poort, kwam op de lijsten van sommige schrijvers voor als een van de Zeven Wonderen van Oudheid en werden gezien als een wonder die de stad 10 mijl (+/- 16 kilometer) omringde.
Mesopotamische en latere Griekse en Romeinse steden, werden gekenmerkt door hun stadsmuren en dit gold tevens voor andere beschavingen. De muren van een stad die bekend stond als het Grote Zimbabwe (in hedendaags Zimbabwe) onderscheidde zich daarmee en de muren van de stad Benin (in het hedendaagse Nigeria) werden eveneens gezien als signatuur van die stad. Het is onwaarschijnlijk dat Mesopotamië direct van invloed was op deze andere culturen en het lijkt waarschijnlijker dat muren over de gehele wereld gebouwd werden zonder de invloed van culturele transmissie en simpelweg een natuurlijk antwoord op mogelijke aanvallen door nabijgelegen steden en de onzekerheden van de natuurlijke wereld. In China werd de traditie van het fortificeren van steden voortgezet (behalve, met name, Angyang, dat nooit muren zou hebben). Ondanks dat bestonden er culturen die steden bouwden zonder muren of, op zijn minst, zonder wallen van enige hoogte of lengte. De steden van de Maya’s uit Midden-Amerika hadden geen significante muren (alhoewel deze wel poorten hadden) en de Egyptenaren lijken te hebben afgezien van het concept van de ommuurde stad. Smith schrijft:
Omdat archeologen geen grote steden hebben kunnen vinden in Egypte vóór Akhenaten’s hoofdstad tijdens de periode van het Nieuwe Koninkrijk (1350 v.Chr.), wordt Egypte soms gezien in vergelijking met Mesopotamië, als een ‘beschaving zonder steden’. Dit label maskeert echter een onderscheidende vorm van urbanisme. Ondanks dat het mogelijk is dat overstromingen van de rivier de Nijl eerdere grote hoofdsteden verwoest hebben, lijkt het waarschijnlijker dat de Egyptenaren een vorm van verspreid urbanisme bedachten, gekenmerkt door kleinere, meer gespecialiseerde stedelijke nederzettingen. (25).
Ommuurde steden waren echter de centra van het leven voor de oude Mesopotamiërs en de bevolking van Babylon (200.000 gedurende de heerschappij van Nebuchadnezzar II) verschilde niet van andere stadstaten in hun vertrouwen op de muren van de stad om hen te scheiden van de onzekerheid en gevaar van de buitenwereld. Voorbij de muren van de stad strekten de lange velden voor de cultivatie en het grazen van het vee, maar waar ook de oncontroleerbare aspecten van de natuur op de loer lagen en het vijandschap van zij die vijandig stonden ten opzichte van iemands stad. Alhoewel een significant percentage van de bevolking de grenzen van de stad elke dag achter zich lieten om de velden te bewerken en vee te verzorgen en zich bezighielden met handel, ontvouwden de levens van de mensen zich primair achter de muren van de stad. Zo belangrijk was het concept van de stad voor de mensen van Mesopotamië dat ze de stad Eridu zagen als de geboorteplaats van de mensheid in plaats van een hof zoals dat van Eden uit het Bijbelboek Genesis.
De Voordelen & Kosten van de Stad
Er bestaat geen wetenschappelijke consensus over de vraag waarom urbanisatie in Mesopotamië begon en de speculaties variëren van het gebrek aan regen in de regio, tot omgevingsfactoren zoals de grote openvlaktes die bewoners aan de genade van de elementen overliet (en, op zijn tijd, indringers) zonder ommuurde steden, tot de simpele verklaring dat welvarende dorpen meer mensen aantrokken en gestaag zich tot stedelijke centra ontwikkelden. Lewis Mumford suggereert:
Fysieke veiligheid en sociale continuïteit waren de twee grote bijdrages van de stad. Onder deze voorwaarden werd elk soort van conflict en uitdaging behapbaar zonder dat het de sociale orde verstoorde… Door opslag, kanalisering en irrigatie rechtvaardigde de stad haar bestaan vanaf haar eerste opkomst in het Nabije Oosten, want het bevrijdde de gemeenschap van de grillen en het geweld van de natuur – alhoewel geen klein gedeelte van dat geschenk teniet werd gedaan door het verdere gevolg van de verachtelijke onderwerping van de samenleving aan de grillen en het geweld van de mens. (5)
Deze scheiding van de mensen van hun natuurlijke omgeving bracht een artificiële wereld voort waarin mensen zich niet langer zorgen hoefde te maken over de cycli van de natuur om te overleven. Regenwater kon voor later gebruik worden opgeslagen, net als de geoogste gewassen en velden konden worden geïrrigeerd door menselijke vernuftigheid in plaats van de afhankelijkheid van de goden om regen te sturen. Met de groei van steden qua omvang, groeide deze ook qua macht en, zoals Smith opmerkt: “Heersers gebruikten stedelijke architectuur om berichten omtrent macht, rijkdom, legitimiteit en andere ideologische thema’s over te brengen” (27). Het oude plattelandsleven, waar gemeenschappen van mensen afhankelijk waren van hun relatie met het land, veranderde met de opkomst van stedelijke centra; mensen hadden nu de controle over de natuurlijke omgeving en vormden het omliggende land naar hun voorkeur. Mumford merkt op dat “onder de beschermende mantel van de stad, die zo permanent leek te zijn, moedigden deze illusies de gewoontes van roof en parasitisme aan die uiteindelijk de hele sociale en economische structuur ondermijnde, nadat het het omliggende landschap en zelfs de verafgelegen regio’s geruïneerd had. Veel elementen waarin de natuur voorzag, noodzakelijk voor zowel een gezonde en mentale balans, ontbraken in de stad” (6).
Dit betekende echter niet dat de stad en het proces van verstedelijking geen voordelen voor de lange termijn hadden. De historicus Paul Kriwaczek schrijft:
Met de stad kwam de gecentraliseerde staat, de hiërarchie van sociale klassen, de verdeling van arbeid, georganiseerde religie, monumentale gebouwen, civiele techniek, het schrift, literatuur, beeldhouwen, kunst, muziek, educatie, mathematiek en recht, niet te vergeten een grote variëteit aan nieuwe uitvindingen en ontdekkingen, van basisobjecten zoals voertuigen met wielen en zeilboten tot de pottenbakkersoven, metallurgie en het maken van synthetische materialen. En daarbovenop kwam nog de enorme collectie aan begrippen en ideeën die zo fundamenteel zijn voor onze manier om naar de wereld te kijken, zoals het concept van nummers, of van gewicht, geheel onafhankelijk van actuele getelde of gewogen objecten – het getal tien, of één kilo – waarvan we allang vergeten zijn dat deze ontdekt of uitgevonden moesten worden (20-21).
Ondanks dat is de artificiële aard van de stedelijke omgeving de reden waarom zoveel oude steden, die niet door verovering verwoest waren, ten onder gingen of verlaten werden door haar inwoners. Alle grote centra van de Maya’s waren voor 900 n.Chr. verlaten en veel van de meest belangrijke Mesopotamische steden, zoals Uruk en Eridu stonden lang daarvoor al leeg. Over-populatie en uitputting van hulpbronnen leidden tot het verval van vele oude steden en Mumford stelt dat dit gebeurde met stedelijke centra “wanneer een stad niet langer een symbiotische relatie heeft met haar omliggende land; wanneer verdere groei lokale hulpbronnen overbelast, zoals water en deze zeldzaam maakt; wanneer een stad om te blijven groeien voor water, brandstof en bouwmateriaal moet reiken tot over haar gerede grenzen” (6). Dit is precies wat gebeurde met Copan, een stad van de Maya’s en vele anderen overal in de wereld van de oudheid. In Copan en vele andere centra van de Maya’s, werd het tekort aan water om de bevolking te onderhouden in toenemende mate een serieus probleem.
Hetzelfde paradigma, of het nu een tekort aan water of andere hulpbronnen betrof, leidde tot de ondergang van andere grote steden in andere landen over de gehele wereld van de oudheid en bestaat nog steeds in onze tijd. De regio die aan de basis stond van de opkomst van de eerste steden, de vruchtbare Halve Maan, is heden ten dage nauwelijks nog vruchtbaar. David Michael, van Stimson Global Security, schrijft: “Groeiende bevolkingen, stijgende vraag, toenemende druk op het milieu en potentieel onhoudbare ontwikkelingsprogramma’s dreigen een onhoudbare belasting te vormen voor zoetwaterbronnen in de regio.” Deze situatie, herkenbaar uit het verleden, is een huidige bedreiging voor de omgeving. Mensen creëerden kunstmatige omgevingen, steden, om ze veilig te houden en hen een schijn van controle over het leven te geven en namen hierdoor afstand van de natuurlijke omgeving die ze nodig hadden om te overleven zodat, net als in vele oude steden, geen van beide omgevingen duurzaam bleek en beide in puin achtergelaten werden.
