Het dagelijks leven in het oude Mesopotamië kan niet op dezelfde manier worden beschreven als het leven in het oude Rome of Griekenland. Mesopotamië was nooit een enkele, verenigde beschaving, zelfs niet onder het Akkadische Rijk van Sargon van Akkad (de Grote, regeerde van 2334 tot 2279 v.Chr.). De regio bestond uit vele etnische groepen en koninkrijken die aanzienlijk van elkaar verschilden.
In het algemeen gesproken leefden de mensen in de regio's van Mesopotamië echter toch op vergelijkbare wijze, vanaf de opkomst van de steden rond 4500 v.Chr. tot de ondergang van Sumerië in 1750 v.Chr. De beschavingen van Mesopotamië hechtten veel waarde aan het geschreven woord. Toen het schrift rond 3600/3500 v.Chr. werd uitgevonden, leken de schrijvers bijna geobsedeerd door het vastleggen van elk aspect van het leven in hun steden. Hierdoor hebben archeologen en wetenschappers tegenwoordig een vrij duidelijk begrip van hoe de mensen leefden en werkten.
De Amerikaanse auteur Thornton Wilder schreef ooit: "Babylon telde ooit twee miljoen inwoners, en alles wat we over hen weten zijn de namen van de koningen en wat kopieën van contracten over de verkoop van graan en slaven" (Our Town, Act I). Wilder schreef natuurlijk fictie, geen geschiedenis, en over de geschiedenis van Mesopotamië was veel nog onbekend toen hij zijn toneelstuk schreef, maar toch had hij het mis over wat de moderne wereld zelfs in zijn tijd al wist over de Mesopotamiërs. Dat is namelijk veel meer dan alleen de namen van koningen en de verkoop van slaven.
Bevolking en sociale klassen
De bevolking van de oude Mesopotamische steden varieerde sterk. Rond 2300 v.Chr. had Uruk 50.000 inwoners, terwijl Mari, in het noorden, 10.000 inwoners had en Akkad 36.000 (Modelski, 6). De bevolkingen van deze steden waren verdeeld in sociale klassen, die, net als in alle beschavingen door de geschiedenis heen, hiërarchisch waren ingedeeld. Deze klassen waren:
- Koning en adel
- Priesters en priesteressen
- Hogere klasse
- Lagere klasse
- Slaafgemaakten
Men geloofde dat de koning van een stad, regio of rijk een speciale band had met de goden en een tussenpersoon was tussen de goddelijke wereld en het aardse rijk. De sterkte van de band tussen een koning en zijn goden, en de tevredenheid van een god met zijn heerschappij, werd afgemeten aan het succes van het gebied waarover hij regeerde. Het was de verantwoordelijkheid van de koning om voor het volk te zorgen, terwijl de hogepriester (of priesteres) zorgde voor de god van die bepaalde stad. Een groot koning zou zijn koninkrijk uitbreiden en het land welvarend maken en daarmee laten zien dat de goden hem gunstig gezind waren. De priesterklasse zorgde ervoor dat de god op de hoogte was van de grote daden van de koning en riep zijn zegeningen over hem af.
Hoewel veel regio's in Mesopotamië herhaaldelijk in opstand kwamen tegen het bewind van Sargon van Akkad en de dynastie die hij stichtte, werd hij toch een legendarische figuur vanwege zijn succesvolle militaire veroveringen en de omvang van zijn rijk. Deze prestaties zouden hebben betekend dat, hoe een individu of gemeenschap ook over het bewind van Sargon dacht, hij in de gunst stond bij de goden die hij diende; in zijn geval bij Inanna.
De hogepriester of priesteres diende alleen de god van de stad en droeg zorg voor de belangrijkste rituelen. De lagere priesters en priesteressen hadden de leiding over de heilige aspecten van het dagelijks leven in het tempelcomplex van de ziggurat en leidden de religieuze diensten. Ze waren geletterd en werden beschouwd als bedreven in het interpreteren van tekenen en voortekenen. Ze dienden ook als genezers. De eerste artsen en tandartsen van Mesopotamië waren priesteressen die mensen verzorgden op de buitenste binnenplaats van de tempel.
Een van de beroemdste priesteressen was Enheduanna (circa 2300 v.Chr.), dochter van Sargon van Akkad, die als hogepriesteres in Ur diende en ook de eerste auteur ter wereld is waarvan de naam bekend is. Enheduanna zou niet als genezeres hebben gediend; haar dagen zouden zijn gevuld met het verzorgen van de zaken van de tempel en het omliggende complex en met het leiden van ceremonies.
Tot de hogere klasse behoorden kooplieden die hun eigen bedrijf hadden, schrijvers, privéleraren en, na verloop van tijd, hooggeplaatste militairen. Andere beroepen van de hogere klasse waren accountant, architect, astroloog (meestal priesters) en scheepsbouwer. De koopman die zijn eigen bedrijf had en niet hoefde te reizen, was een man met vrije tijd die in het gezelschap van zijn vrienden kon genieten van het beste bier in de stad, terwijl hij werd bediend door slaafgemaakte dienaren.
Schrijvers werden zeer gerespecteerd en waren werkzaam aan het hof, in de tempel en op scholen. Elke leraar was een schrijver en een van de belangrijkste vakken die op elke Mesopotamische school werd onderwezen, was schrijven. De studentenpopulatie bestond voornamelijk uit mannen, hoewel meisjes ook naar school konden worden gestuurd als hun vader dat wenste, en hetzelfde gold voor slaafgemaakten als hun meesters dat nodig achtten.
Ook in hoog aanzien stonden privéleraren die goed werden betaald door de rijke families van de steden om hun zonen te helpen uitblinken in hun schoolwerk. Privéleraren die niet in dienst waren van een school (die vaak door de tempel werd gerund) werden beschouwd als mannen van uitzonderlijke intelligentie, deugdzaamheid en karakter. Ze wijdden zich volledig aan de leerling of leerlingen die ze onder hun hoede kregen en als ze een rijke klant hadden, leefden ze bijna net zo goed als hij.
De lagere klasse was samengesteld uit de beroepen die de stad of regio daadwerkelijk draaiende hielden: boeren, kunstenaars, muzikanten, bouwvakkers, kanaalbouwers, bakkers, mandenmakers, slagers, vissers, schenkers, steenbakkers, brouwers, herbergiers, prostituees, metaalbewerkers, timmerlieden, parfummakers, pottenbakkers, juweliers, goudsmeden, karrenvoerders en later wagenmenners, soldaten, zeelieden en kooplieden die voor het bedrijf van iemand anders werkten. Van de hierboven genoemde beroepen konden prostituees, parfummakers, juweliers en goudsmeden onder de juiste omstandigheden ook als beroepen van de hogere klasse worden gerangschikt, bijvoorbeeld als ze over uitzonderlijke vaardigheden beschikten of in de gunst stonden bij een rijke beschermheer of de koning.
Elk lid van de lagere klasse kon echter de sociale ladder beklimmen. De assyrioloog Jean Bottero merkt op dat "de stad Kish niet werd geregeerd door een koning, maar door een energieke koningin genaamd Ku-baba, een voormalige herbergierster, over wie we verder niets weten" (125). Vrouwen waren meestal aangewezen op banen van de lagere klasse, maar het is duidelijk dat ze dezelfde gewaardeerde posities konden bekleden als mannen. Vrouwen waren de eerste brouwers en herbergiers en ook de eerste artsen en tandartsen in het oude Mesopotamië, voordat die beroepen lucratief bleken te zijn en door mannen werden overgenomen.
De laagste sociale klasse waren de slaafgemaakten. Men kon op verschillende manieren slaaf worden: gevangengenomen in een oorlog, zichzelf verkocht om een schuld af te betalen, verkocht als straf voor een misdaad, ontvoerd en als slaaf verkocht in een andere regio, of verkocht door een familielid om een schuld af te lossen. Slaafgemaakten hadden geen vaste etniciteit en werden ook niet uitsluitend ingezet voor handenarbeid. Ze deden het huishouden, beheerden grote landgoederen, gaven les aan jonge kinderen, verzorgden paarden, werkten als boekhouders en bekwame juwelenmakers, en konden worden ingezet voor alles waarvoor hun meester dacht dat ze talent hadden. Een slaafgemaakte die ijverig voor zijn meester werkte, kon uiteindelijk zijn vrijheid kopen.
Huizen en meubilair
De koning en zijn hofhouding woonden vanzelfsprekend in het paleis en het paleiscomplex. In de steden werden huizen gebouwd vanuit het centrum van de nederzetting, dat bestond uit de tempel met zijn ziggurat. Priesters woonden in het centrum van de stad in en rond het tempelcomplex. De rijksten en hoogsten op de sociale ladder woonden het dichtst bij het centrum. De ziggoerat, de tempel en het paleis waren gemaakt van felgekleurde ovengebakken bakstenen, terwijl de huizen van de welgestelden waren gebouwd van in de zon gedroogde bakstenen en die van minder welgestelden van riet. Slaven woonden in de huizen van hun meesters of in de buurt in rieten huizen. Wel moet worden opgemerkt dat deze gebouwen nog steeds als huizen werden beschouwd en niet als de "hutten" die men zich vaak voorstelt. Wetenschapper Stephen Bertman beschrijft de bouw van deze huizen als volgt:
Om een eenvoudig huis te bouwen, werden hoge moerasplanten ontworteld, verzameld en tot strakke bundels gebonden. Nadat er gaten in de grond waren gegraven, werden de bundels riet erin gestoken, één bundel per gat. Nadat de gaten waren gevuld en stevig aangedrukt, werden de tegenover elkaar liggende bundels naar voren gebogen en aan de bovenkant aan elkaar vastgebonden, zodat ze een boog vormden. De overige bundels werden vervolgens op dezelfde manier aan elkaar vastgemaakt... Vervolgens werden er rieten matten overheen gedrapeerd om het dak te bedekken, of aan een opening in de muur gehangen om een deur te vormen.
(285)
Bertman vervolgt dat, om een huis van baksteen te bouwen,
klei van de rivieroevers werd gemengd met stro ter versteviging en in kleine bakvormige houten mallen gedrukt, die vervolgens werden verwijderd zodat de modderstenen in de hete zon op de grond konden drogen... In de zon gedroogde stenen waren notoir onduurzaam, vooral als gevolg van de jaarlijkse regenbuien. Het alternatief, in een oven gebakken bakstenen, was echter duur vanwege de brandstof en de geschoolde arbeidskrachten die nodig waren voor de productie ervan. Als gevolg daarvan werden ze meestal gebruikt voor de huizen van koningen en goden in plaats van voor de huizen van gewone mensen.
(285-286)
Licht in huis werd verzorgd door kleine lampen die brandden op sesamzaadolie en soms door ramen (in duurdere huizen). Ramen waren gemaakt van houten traliewerk en omdat hout een zeldzaam goed was, waren huizen met ramen ongebruikelijk. De buitenkant van bakstenen huizen was witgekalkt ("een extra bescherming tegen de stralingswarmte", zoals Bertman opmerkt) en "er was slechts één buitendeur, waarvan het kozijn felrood was geverfd om boze geesten buiten te houden" (286). Wetenschapper Karen Rhea Nemet-Nejat merkt op dat "het doel van een huis in Zuid-Irak was om beschutting te bieden tegen de twaalf uur durende onmeedogende hitte – het klimaat van mei tot september" (121). Na september brak het regenseizoen aan met koeler weer, waarin huizen werden verwarmd door het verbranden van palmbladeren of palmhout.
Paleizen, tempels en huizen van de hogere klasse hadden sierlijke vuurpotten om de kamers te verwarmen, terwijl de lagere klassen gebruik maakten van een ondiepe kuil bekleed met geharde klei. Binnenriolering was al in het derde millennium v.Chr. wijdverbreid, met toiletten in aparte kamers in huizen van de hogere klasse, paleizen en tempels. Aflopende, betegelde afvoerkanalen voerden het afval van het gebouw naar een beerput of een rioolsysteem van kleipijpen dat het naar de rivier transporteerde.
Alle huizen in de regio Sumer, van rijken of van armen, hadden de zegen nodig van de broeder-goden Kabta en Mushdamma (goden die heersten over funderingen, gebouwen, constructies en bakstenen) voordat een bouwproject kon beginnen, en na voltooiing werden er dankoffers gebracht aan de god van voltooide constructies, Arazu. Elke regio van Mesopotamië vereerde in een of andere vorm deze zelfde goden. Hun zegen garandeerde echter niet altijd een veilig huis. Nemet-Nejet schrijft:
Oude huizen, met name die van in de zon gedroogde bakstenen, stortten vaak in. De wetten van Hammurabi wijdden vijf hoofdstukken aan dit probleem, waarbij met name de verantwoordelijkheid van de bouwer werd benadrukt: "Als een bouwer een huis voor een man bouwt, maar zijn werk niet degelijk uitvoert, en het huis dat hij bouwt instort en de dood van de huiseigenaar veroorzaakt, zal die bouwer worden gedood. Als het de dood van een zoon van de huiseigenaar veroorzaakt, zullen zij een zoon van die bouwer doden."
(121)
Huizen waren ongeveer hetzelfde ingericht als tegenwoordig, met stoelen (voorzien van poten, rugleuningen en, in rijkere huizen, armleuningen), tafels, bedden en keukengerei. In welgestelde huizen waren de bedden gemaakt van een houten frame, doorkruist met touw of riet, bedekt met een matras gevuld met wol of geitenhaar, en voorzien van linnen lakens. Deze bedden waren vaak ingewikkeld bewerkt en tegen het derde millennium waren ze soms "bedekt met goud, zilver of koper" en "hadden ze poten die vaak eindigden in een ossenpoot of klauw" (Nemet-Nejet, 125). De lagere klassen konden zich dergelijke luxe natuurlijk niet veroorloven en sliepen op matten van geweven stro of riet, die op de vloer werden gelegd. Tafels werden op dezelfde manier gemaakt als vandaag de dag (de meer welvarende huizen hadden linnen tafelkleden en servetten), en gezinnen verzamelden zich aan tafel voor het avondeten, zoals vele dat nu nog steeds doen.
Familie en vrije tijd
Het gezin was samengesteld zoals tegenwoordig, met een moeder, vader, kinderen en naaste familie. Zowel mannen als vrouwen werkten, terwijl het leven van de kinderen werd bepaald door hun geslacht en sociale status. Jongens uit de hogere klassen gingen naar school, terwijl hun zussen thuis bleven en huishoudelijke vaardigheden leerden; zonen uit de lagere klassen volgden hun vaders naar het land of naar het werk dat zij deden, terwijl de dochters, net als in de hogere klassen, de rol van hun moeder in haar werk navolgden. Het speelgoed waarmee deze kinderen speelden, leek eveneens op het speelgoed van tegenwoordig, zoals speelgoedauto's en poppen. Bertman schrijft:
Voor baby's en peuters waren er terracotta rammelaars, gevuld met korrels en geknepen aan de randen als een taartkorst, met een klein gaatje voor een touwtje. Voor jongens, die droomden van jagen of soldaat zijn, waren er katapulten en kleine pijl en bogen en boemerangs om mee te gooien. Voor meisjes, die hoopten ooit hun eigen kinderen groot te brengen, waren er poppen en miniatuurmeubels (tafels, krukjes en bedden) om huisje te spelen. Ondertussen konden de kleintjes met handbediende schepen en strijdwagens, en kleine trekdieren en wagens door de wereld van hun verbeelding reizen. Voor nog meer vermaak waren er ook ballen en hoepels en een touwtje-springspel dat vreemd genoeg naar de liefdesgodin Ishtar was vernoemd.
(298-299)
Gezinnen genoten ook van bordspellen (het populairste spel leek veel op mens-erger-je-niet) en dobbelspellen. Afbeeldingen tonen gezinnen in hun vrije tijd op vrijwel dezelfde manier als familiefoto's in onze tijd. Sport leek vooral een bezigheid voor mannen te zijn; het populairst waren worstelen en boksen bij de lagere klassen en jagen bij de adel.
De gezinsmaaltijd was, zoals gezegd, vergelijkbaar met die van vandaag, met als belangrijkste verschil de vormen van vermaak tijdens en na het diner. Verhalen vertellen was een belangrijk onderdeel van het avondeten, net als muziek. In armere gezinnen speelde een familielid na het eten een instrument, zong of vertelde een verhaal; de rijken hadden hiervoor slavendienaars of professionele entertainers. Deze mensen bespeelden instrumenten die ons nu nog bekend zouden voorkomen.
De Mesopotamiërs hadden natuurlijk zangers, maar ook percussie-instrumenten (trommels, bellen, castagnetten, sistrums en ratels), blaasinstrumenten (blokfluiten, fluiten, hoorns en panfluiten) en snaarinstrumenten (de lier en de harp). Afbeeldingen uit heel Mesopotamië getuigen van de grote liefde van de bevolking voor muziek, en Bertman schrijft:
De liefde voor muziek van een koningin van Ur was zelfs zo groot dat ze het idee om zonder muziek in het hiernamaals te zijn niet kon verdragen; dus nam ze, met behulp van een slaapdrankje in de tombe, haar koninklijke muzikanten met zch mee naar het hiernamaals.
(295)
Inscripties en afbeeldingen tonen ook Mesopotamiërs die naar muziek luisteren terwijl ze bier drinken, lezen of ontspannen in hun huis of tuin. Bertman merkt op dat "muziek een integraal onderdeel was van het Oud-Mesopotamische leven. De afbeeldingen op ingelegde plaquettes, gegraveerde zegelstenen en gebeeldhouwde reliëfs voeren ons terug naar een wereld van geluid. We zien een herder op zijn fluit spelen terwijl zijn hond erbij zit en aandachtig luistert" (294). Muziek was ook, althans voor de rijkere burgers, een integraal onderdeel van banketten en zelfs privé-maaltijden.
Voedsel en kleding
Het belangrijkste graangewas in Mesopotamië was gerst, dus het is geen wonder dat zij de eersten waren die bier uitvonden. De godin van het bier was Ninkasi; haar beroemde hymne uit circa 1800 v.Chr. is tevens het oudste bierrecept ter wereld. Bier zou zijn ontstaan uit gefermenteerd gerstebrood. De Mesopotamiërs genoten ook een menu van fruit en groenten (appels, kersen, vijgen, meloenen, abrikozen, peren, pruimen, dadels, sla, komkommers, wortelen, bonen, erwten, bieten, kool en rapen), evenals vis uit beken en rivieren en vee uit hun stallen (voornamelijk geiten, varkens en schapen, aangezien koeien duur waren om te houden en te kostbaar om voor hun vlees te worden geslacht). Ze vulden dit menu aan met wild zoals herten, gazellen en vogels.
De mensen hielden ook tamme ganzen en eenden voor de eieren. Bottero merkt op dat de Mesopotamiërs "een indrukwekkende voorraad ingrediënten" hadden waaruit zij hun dagelijkse maaltijden samenstelden en hun voedsel op smaak brachten, met oliën en minerale producten (bijvoorbeeld sesamolie en zout). Verder merkt hij op dat "al deze inheemse ingrediënten zo gevarieerd waren dat, voor zover wij weten, de Mesopotamiërs nooit iets uit het buitenland importeerden, ondanks de intensiteit en geografische omvang van hun handel" (45-46). Naast bier (dat zozeer gewaardeerd werd dat het werd gebruikt als loon om arbeiders te betalen), dronken de mensen sterke wijn of water. Bier was echter de populairste drank in het oude Mesopotamië en vormde vanwege zijn voedingswaarde en dikte vaak het grootste deel van de middagmaaltijd.
Mesopotamiërs wasten en kleedden zich voor het avondmaal. Voordat ze iets aten, brachten ze dankgebeden aan de goden die voor het voedsel hadden gezorgd. Religie was een integraal onderdeel van het leven van alle Mesopotamiërs en omdat het was gebaseerd op het concept dat de mens een medewerker van de goden was, maakten de goden van het Mesopotamische pantheon deel uit van hun dagelijks leven. De goden voorzagen de mensen van alles wat ze nodig hadden en in ruil daarvoor werkten de mensen in hun dienst. Bottero schrijft:
Deze goden waren niet alleen de scheppers van het universum en de mensheid, maar bleven ook hun oppermachtige meesters en leidden hun bestaan en ontwikkeling van dag tot dag. Om die reden werden ze beschouwd als de bevorderaars en borgstellers voor al de oneindige verplichtingen – positieve en negatieve – die het menselijk leven beheersen.
(248)
Alle aspecten van het Mesopotamische bestaan waren doordrongen van een gevoel van goddelijke werkzaamheid, zelfs de kleding die ze droegen. Kleding in Mesopotamië werd, net als al het andere, bepaald door iemands sociale status en weerspiegelde die. Bertman merkt op:
Archeologen bevestigen dat textiel een van de eerste uitvindingen van de mens was. Plantaardige vezels werden mogelijk al in de Oude Steentijd, zo'n 25.000 jaar geleden, gedraaid, genaaid en gevlochten [om kleding te maken], [maar] wol lijkt de meest voorkomende stof in Mesopotamië te zijn geweest, samen met linnen, dat was voorbehouden aan duurdere kledingstukken. Katoen werd pas geïntroduceerd in de tijd van de Assyriërs, die de plant rond 700 v.Chr. uit Egypte en Soedan importeerden, en zijde misschien pas in de tijd van de Romeinen, die het uit China invoerden.
(289)
Mannen droegen over het algemeen een lange mantel of geplooide rokken van geiten- of schapenhuid, en vrouwen droegen tunieken van wol of linnen. Soldaten vallen op in de oude afbeeldingen omdat ze altijd capes met capuchon over hun uniformen droegen. Oudere mannen worden altijd afgebeeld in eendelige gewaden die tot aan hun enkels reiken, terwijl jongere mannen zowel gewaden als rokken lijken te hebben gedragen. Vrouwen worden altijd afgebeeld in gewaden, maar deze waren niet altijd effen van kleur.
Er zijn veel verschillende patronen en ontwerpen te zien in de kleding van Mesopotamische vrouwen, terwijl mannen, met uitzondering van koningen en soldaten en soms schrijvers, gewoonlijk in effen gewaden worden afgebeeld. Sjaals, capes met capuchon en omslagdoeken werden gebruikt bij slecht weer. Ze waren vaak geborduurd en voorzien van kwastjes. Meisjes kleedden zich zoals hun moeders en jongens zoals hun vaders, en iedereen droeg sandalen met een meer of minder opvallend ontwerp. De sandalen van vrouwen waren over het algemeen vaker versierd dan die van mannen.
Zowel vrouwen als mannen droegen cosmetica en, zoals Bertman schrijft, "het verlangen om iemands natuurlijke schoonheid en aantrekkingskracht te versterken door het gebruik van cosmetica en parfum is al sinds de Sumerische tijd bekend" (291). Mannen en vrouwen omlijnden hun ogen met een vroege vorm van mascara, net zoals de Egyptenaren, en beide geslachten gebruikten parfum na het baden. Parfums werden gemaakt door "aromatische planten in water te laten trekken en hun essentie met olie te mengen" (Bertman, 291), en sommige van deze recepten werden zo populair dat ze zorgvuldig werden bewaard, omdat ze een parfummaker konden verheffen van een arbeider uit de lagere klasse tot bijna het niveau van de adel.
Conclusie
Het dagelijks leven van de oude Mesopotamiërs verschilde niet zo veel van het leven van mensen van nu. Net als in de moderne wereld hielden de mensen in de oude regio's van Mesopotamië van hun gezin, gingen ze naar hun werk en genoten ze van hun vrije tijd. Door de technologische vooruitgang lijkt het alsof mensen tegenwoordig veel wijzer zijn en enorm verschillen van de mensen die duizenden jaren geleden leefden, maar de archeologische vondsten vertellen een ander verhaal. De mens is nooit heel anders geweest, in positieve en negatieve zin, dan vandaag de dag, en de basisbehoeften en -wensen, evenals het dagelijks leven, van de mensen in het oude Mesopotamië volgen een patroon dat ons maar al te bekend voorkomt.
