Het Songhai-rijk (ook bekend als Songhay, ca. 1460 – ca. 1591) besloeg het gebied dat tegenwoordig het zuiden van Mauritanië en Mali vormt. Het volgde het Mali-rijk (1240–1645) op als de belangrijkste staat in West-Afrika. Het Songhai-rijk, dat rond 1000 ontstond als een klein koninkrijk langs de oostelijke bocht van de rivier de Niger, breidde zijn grondgebied vanaf de regering van koning Sunni Ali (1464-1492) drastisch uit.
Met Gao als hoofdstad, en dankzij de controle over de trans-Sahara-handel via centra als Timboektoe en Djenné, bloeide het Songhai-rijk gedurende de 16e eeuw, totdat het, verscheurd door burgeroorlogen, werd aangevallen door en rond 1591 opgenomen in het Marokkaanse Rijk.
De neergang van het Mali-rijk
Het Mali-rijk, gelegen langs de savannegordel tussen de Sahara in het noorden en de bossen van Zuid-West-Afrika (vaak aangeduid als de Soedan-regio), beleefde sinds het midden van de 13e eeuw een bloeitijd door zijn controle over de lokale en internationale handel, met name in goud en zout. Het rijk begon echter in de jaren 1460 in te storten als gevolg van burgeroorlogen, de opening van concurrerende handelsroutes elders en aanvallen van de nomadische Toearegs uit de zuidelijke Sahara en vervolgens van het Mossi-volk, dat op dat moment de gebieden ten zuiden van de rivier de Niger beheerste. Het ergste moest echter nog komen, met de opkomst van het Songhai-rijk, een oud koninkrijk dat nu echter machtiger was dan ooit. Het Mali-rijk zou zich vastklampen aan de westelijke hoek van zijn eens zo uitgestrekte gebieden, totdat de Marokkanen in de 17e eeuw arriveerden.
Koning Sunni Ali
Het koninkrijk Songhai dateert van minstens de 9e eeuw en bestond in dezelfde periode als het Ghana-rijk (6e-13e eeuw) verder naar het oosten. Het werd gedomineerd door en vernoemd naar de Songhay (ook bekend als Sonhrai), een groep volkeren die Nilo-Saharaanse talen spraken. Hoewel het werd veroverd door het Mali-rijk, zouden de Songhai zich als lastig en krachtig laten gelden omdat zij het riviervervoer op de Niger controleerden. De Songhai-koningen voerden vanaf het begin van de 15e eeuw regelmatig invallen uit op de stedelijke centra van Mali en veroverden uiteindelijk hun onafhankelijkheid toen de koningen van Mali hun greep op verschillende kleinere onderworpen koninkrijken aan de rand van hun rijk verloren.
Rond 1468 veranderde koning Sunni Ali (ook bekend als Sonni Ali Ber) de traditionele Songhai-tactiek van kleine en sporadische invallen bij zijn vijanden in een meer aanhoudende campagne van permanente territoriale uitbreiding. Met een leger dat was uitgerust met gepantserde cavalerie en de enige marinevloot in Noord-Afrika, die hij inzette op de rivier de Niger, slaagde Sunni Ali erin de restanten van het oude Mali-rijk te veroveren. Zoals de kroniek van Timboektoe, de Tarikh al-Sudan (ca. 1656), vermeldt:
[Hij regeerde] 28 jaar, voerde 32 oorlogen, die hij allemaal won; altijd de overwinnaar, nooit de overwonnene.
(geciteerd in de Villiers, 102)
De Songhai-koning speelde in op zijn imago als tovenaar van de inheemse animistische religie om zijn vijanden angst aan te jagen. Hij combineerde ook op effectieve wijze clementie (overwonnen krijgers werden bijvoorbeeld uitgenodigd om zich bij zijn eigen leger aan te sluiten) met totale meedogenloosheid (hij executeerde op beruchte wijze veel leden van de bijzonder weerbarstige Fulbe-stam). Daardoor verdiende de koning zijn bijnaam, 'Sunni de Meedogenloze'. Nog effectiever dan deze strategieën waren de gevechtstactieken van Sunni Ali, waarbij hij de vijand met overweldigende kracht en met de grootst mogelijke snelheid aanviel. Veroverde gebieden vielen als dominostenen en werden opgedeeld in provincies die werden bestuurd door koninklijk benoemde gouverneur. Er werd tribuut geëist van lokale leiders, gijzelaars genomen en huwelijken gesloten om politieke allianties te smeden, maar Sunni Ali zorgde tenminste ook voor de bouw van veel dijken die de irrigatie en de landbouwopbrengst in veel gebieden verbeterden.
De Songhai en de handel
Tegen 1469 had Songhai de controle over de belangrijke handelshaven Timboektoe aan de rivier de Niger. In 1471 werden de Mossi-gebieden ten zuiden van de bocht van de Niger aangevallen, en tegen 1473 was ook het andere belangrijke handelscentrum aan de Niger, Djenné, veroverd. Helaas voor Sunni Ali gaf al dit nieuwe grondgebied hem echter geen toegang tot de goudvelden aan de zuidkust van West-Afrika, die zowel de heersers van Ghana als die van Mali tot rijkdom hadden gebracht. Dit kwam doordat een Portugese vloot, gesponsord door de Lissabonse koopman Fenão Gomes, in 1471 rond de Atlantische kust van Afrika was gevaren en een handelspost had gevestigd in de buurt van deze goudvelden (in het huidige Ghana).
De openstelling van de zeeroute naar de Middellandse Zee betekende ook dat de trans-Sahara-kameelkaravanen daarvan serieuze concurrentie ondervonden als beste manier om handelsgoederen naar Noord-Afrika en Europa te brengen. De Portugezen waren echter niet zo succesvol als ze hadden gehoopt bij het exploiteren van de Afrikaanse hulpbronnen. Het is zeker dat de Songhai er in ieder geval in slaagden de karavaanhandel in de Sahara te monopoliseren, waarbij steenzout en luxegoederen zoals fijne stoffen, glaswerk, suiker en paarden naar de regio Soedan werden gebracht in ruil voor goud, ivoor, specerijen, kolanoten, huiden en slaven. Timboektoe, met een bevolking van ongeveer 100.000 in het midden van de 15e eeuw, bleef bloeien als handels-'haven' en centrum van kennis tot in de 16e en 17e eeuw, toen de stad beschikte over vele moskeeën en 150 tot 180 koranscholen.
Met name de handelsplaatsen ontwikkelden zich tot hoogontwikkelde stedelijke centra met stenen woningen, waarvan vele een groot openbaar plein hadden voor geregelde markten en minstens één moskee. Rondom deze kern bevond zich een zwevende voorstadbevolking die in huizen van leem en riet of in tenten woonde. Plattelandsgemeenschappen bleven intussen volledig afhankelijk van de landbouw, maar de aanwezigheid van plattelandsmarkten wijst erop dat er doorgaans een voedseloverschot was. Hongersnood was zeker een zeldzame gebeurtenis tijdens de eerste helft van het Songhai-rijk, en er zijn geen verslagen van boerenopstanden.
De regering van Songhai
De Songhai-regering was veel meer gecentraliseerd in vergelijking met de meer federale structuren van de eerdere Ghana- en Mali-rijken. De heerser was een absoluut monarch, maar ondanks het feit dat hij ongeveer 700 eunuchen aan zijn hof in Gao had, zaten de Songhai-koningen toch nooit helemaal veilig op hun troon. Van de negen heersers in de geschiedenis van het Songhai-rijk werden er zes afgezet door opstanden of stierven een gewelddadige dood, meestal door toedoen van hun broers en ooms.
Mocht een koning lang genoeg regeren om hiervan te profiteren, dan was er een keizerlijke raad van de hoogste ambtenaren, waaronder de minister van Financiën (kalisa farma), de admiraal (hi koy) van de Songhai-vloot die ook toezicht hield op de regionale gouverneurs, het hoofd van het leger (balama) en de minister van Landbouw (fari mondzo). Er waren ook ministers verantwoordelijk voor bossen, lonen, aankopen, eigendommen en buitenlanders. Een kanselier-secretaris hield zich bezig met het officiële papierwerk. Op lokaal niveau waren er veel ambtenaren met specifieke taken, zoals politietaken of de controle op van het gebruik van officiële gewichten in handelscentra, evenals hoofden van lokale ambachtsgilden en stamgroepen. Een ambtenaar aan wie niemand kon ontsnappen, hoewel de rijken hem meer moesten betalen dan de minder welgestelden, was de lokale belastinginner, die goederen voor de kroon inde om het leger en het hof te betalen en om de armen van enige ondersteuning te voorzien.
Koning Mohammed I
Koning Mohammed I (regeerde 1494-1528), een voormalige Songhai-legeraanvoerder die de troon had afgedwongen van Sunni Ali's zoon, Sonni Baro, begon met het gebruik van de dynastieke titel Askiya of Askia (wat 'heerser' of misschien zelfs 'usurpator-heerser' betekent). De nieuwe koning, die voor het eerst een volledig professioneel leger vormde, zou toezicht houden op het grootste territoriale gebied van het Songhai-rijk en verdiende daarmee zijn plaats als de op één na grootste leider van Songhai na Sunni Ali.
Het verlies van de controle over een deel van de goudhandel in West-Afrika aan de Portugezen was mogelijk een van de redenen voor het besluit van koning Mohammed om de belangen van het Songhai-rijk uit te breiden naar het zuidoosten. Volgens historicus Leo Africanus (overl. ca. 1554) werden drie grote steden van Hausaland aangevallen, gelegen tussen de Niger en het Tsjaadmeer: Gobir, Katsina en Zaria. De vierde grote stad in de regio, Kano, werd gedwongen een forse schatting te betalen aan de Songhai-koning.
De hoofdstad Gao telde in deze periode maar liefst 100.000 inwoners en het rijk strekte zich uit van de rivier de Senegal in het westen tot wat nu centraal Mali is in het oosten. Daarnaast omvatte het grondgebied de lucratieve zoutmijnen bij Tagahaza in het noorden. Het Songhai-rijk domineerde vrijwel de gehele lengte van de rivier de Niger, de handelsader van West-Afrika, zodat de Songhai-volkeren nu een kleine minderheidsgroep vormden in een staat die zulke uiteenlopende groepen omvatte als de Mande, Fulbe, Mossi en Toeareg.
Islam & animisme
De islamitische religie, die al lang gevestigd was in andere rijken in de regio Soedan zoals Ghana en Mali, kende in het Songhai-rijk, althans aanvankelijk, een enigszins wankel bestaan. Koning Sunni Ali hield zich alleen uit politiek opportunisme aan bepaalde islamitische gebruiken, zoals vasten tijdens de ramadan (hij offerde ook dieren aan bomen en steunde heidense tovenaars), en was fel anti-islamitisch in die zin dat hij moslims die een politieke bedreiging vormden genadeloos vervolgde (Fage, 424). Koning Mohammed I daarentegen was bekeerd (zoals zijn naam al doet vermoeden) en ondernam zelfs de pelgrimstocht (hadj) naar Mekka, waar hij de eretitel 'Kalief van de Soedan' ontving. Mohammed legde zijn volk de islamitische wet op, benoemde qadis (islamitische magistraten of rechters) tot hoofden van justitie in Timboektoe, Djenné en andere steden, en nam de Noord-Afrikaan Mohammed al-Maghili in dienst als zijn regeringsadviseur. Het werk van laatstgenoemde zou een belangrijk onderdeel worden van de islamitische hervormingsbeweging die vanaf de 18e eeuw de regio overspoelde. Er ontwikkelde zich zeker een stedelijke elite die overwegend islamitisch was. het ging niet alleen om welgestelde kooplieden: er ontstond ook een klasse van religieuze geleerden die in hun teksten niet alleen de ins en outs van hun religie onderzochten, maar ook werken produceerden over vele andere onderwerpen, van natuurwetenschap tot geschiedenis.
Koning Mohammed heeft misschien zelfs geprobeerd de islam als staatsgodsdienst op te leggen, maar net als in de rijken voorafgaand aan dat van de van Songhai in de Soedan-regio bleef de islam grotendeels beperkt tot de elite en de stedelijke bevolking, terwijl plattelandsgemeenschappen en een meerderheid van de overige bevolking trouw bleven aan hun traditionele animistische geloofsovertuigingen. Deze hielden in dat geesten bezit namen van bepaalde objecten, met name indrukwekkende natuurverschijnselen, bomen, grotten en opvallende natuurlijke kenmerken. De twee belangrijkste geesten waren Harake Diko en Dongo, die respectievelijk verbonden waren met de rivier de Niger en met onweersbuien, wat niet verwonderlijk is gezien het belang van de rivier voor de handel en van regen voor de droge savanne van West-Afrika. Deze geesten en andere (met name die van overleden voorouders) moesten voortdurend in een goede stemming worden gehouden, vandaar dat er eten en drinken aan hen werden geofferd en zij geëerd werden met gemaskerde dansen en andere ceremonieën. Hoewel meer een geloofssysteem dan een formele religie, kende het animisme niettemin praktiserende priesters, de tierkei- - of tovenaars, die er hun taak van maakten de inmenging van boze geesten in dorpszaken tot een minimum te beperken.
Waarom raakte het Songhai-rijk in verval?
Het Songhai-rijk begon vanaf het laatste kwart van de 16e eeuw aan de randen te krimpen, vooral in het westen. Dit was grotendeels te wijten aan een reeks onbekwame leiders en burgeroorlogen om het recht op de troonopvolging, die het rijk al sinds de dood van koning Mohammed in 1528 teisterden. Eén specifieke rivaliteit, die tussen Mohammed IV Bano (regeerde vanaf 1586) en zijn broers, verdeelde het rijk in feite in tweeën. De genadeslag volgde snel. De Marokkaanse leider Ahmad al-Mansur al-Dhahabi (overleden in 1603), die de nogal pompeuze titel van 'Gouden Veroveraar' voerde, stuurde in 1590-1591 een kleine strijdmacht van misschien 4.000 met musketten bewapende mannen om het rijk aan te vallen. Het Songhai-leger telde zo'n 30.000 infanteristen en 10.000 cavaleristen, maar hun wapens bestonden slechts uit speren en pijlen. Als gevolg van deze technologische ongelijkheid wonnen de Marokkanen de oorlog, ook al waren er in de daaropvolgende jaren enkele sporadische maar vruchteloze tegenaanvallen van de Songhai. De schatkist van Songhai werd in beslag genomen en het rijk, inclusief Timboektoe, werd opgenomen in dat van de Marokkanen en werd daar een provincie van. Het Songhai-rijk, het grootste dat West-Afrika ooit had gekend, was simpelweg van binnenuit uiteengevallen en verdwenen. Het was het laatste van de grote rijken die sinds de 6e eeuw over West-Afrika hadden geheerst.
