Het Mali-rijk (1240-1645) in West-Afrika werd gesticht door Sundiata Keita (regeerde van 1230 tot 1255) na zijn overwinning op het koninkrijk Sosso (ca. 1180-1235). Sundiata's gecentraliseerde regering, diplomatie en goedgetrainde leger maakten een enorme militaire expansie mogelijk, die de weg zou effenen voor een bloei van het Mali-rijk, waardoor het het grootste rijk werd dat Afrika ooit had gekend.
Tijdens het bewind van Mansa Musa I (1312-1337) bereikte het rijk nieuwe hoogten in termen van gecontroleerd grondgebied, culturele bloei en de duizelingwekkende rijkdom die Mali vergaarde door de controle over de regionale handelsroutes. Als tussenhandelaar tussen Noord-Afrika via de Sahara en de rivier de Niger in het zuiden, profiteerde Mali van de handel in goud, zout, koper, ivoor en slaven die kriskras door West-Afrika plaatsvond. Moslimhandelaren voelden zich aangetrokken tot al deze commerciële activiteiten en bekeerden de heersers van Mali, die op hun beurt de islam verspreidden via welbekende kenniscentra als Timboektoe. In tegenstelling tot steden als Niani (de hoofdstad), Djenné en Gao bleef het grootste deel van de plattelandsbevolking van Mali bestaan uit boeren die vasthielden aan hun traditionele animistische geloof. Het Mali-rijk stortte in de jaren 1460 in als gevolg van burgeroorlogen, de opening van handelsroutes elders en de opkomst van het naburige Songhai-rijk, maar het bleef tot in de 17e eeuw een klein deel van het westelijke rijk controleren.
West-Afrika en de regio Soedan
De Soedan-regio in West-Afrika, waar het Mali-rijk zich zou ontwikkelen, was al sinds het neolithicum bewoond, zoals blijkt uit grafheuvels, megalieten en overblijfselen van verlaten dorpen uit de ijzertijd. De rivier de Niger overspoelde regelmatig delen van dit droge grasland en de savanne, waardoor er minstens 3500 jaar geleden vruchtbare landbouwgrond ontstond, een ontwikkeling die sterk werd bevorderd door de voldoende jaarlijkse regenval in de regio. Granen als rode Afrikaanse rijst en gierst werden met succes verbouwd, evenals peulvruchten, knol- en wortelgewassen, olie- en vezelgewassen en fruit. Visserij en veeteelt waren andere belangrijke bronnen van voedsel, terwijl lokale koperafzettingen werden geëxploiteerd en gebruikt voor handel. Waarschijnlijk werd ook goud lokaal gewonnen of gezeefd en vervolgens verhandeld, maar concreet bewijs uit deze periode ontbreekt.
Het Ghana-rijk (6e tot 13e eeuw) was de eerste grote politieke macht in West-Afrika die een imperium stichtte op basis van militaire macht en de rijkdom die werd vergaard door regionale handel. Het rijk, dat geografisch gezien geen verband hield met het huidige Ghana maar ten noordwesten daarvan lag, raakte aan het einde van de 12e eeuw in ernstige verval. Getroffen door burgeroorlogen, opstanden van onderworpen stamhoofden en slechte oogsten begon het rijk uiteen te vallen en werd een groot deel van zijn grondgebied overgenomen door het koninkrijk Sosso (ook bekend als Susu). Toen de Sosso-koning Sumanguru (ook bekend als Sumaoro Kante, regering vanaf ca. 1200) handelsbeperkingen oplegde aan de regio Mali, kwam de inheemse Malinke-stam (Mandingo) in opstand.
Sundiata Keita & Regering
Sundiata Keita (ook bekend als Sunjaata of Sundjata, regeerde van 1230 tot 1255) was een Malinke-prins, wiens naam 'leeuwenprins' betekent; hij voerde vanaf de jaren 1230 oorlog tegen het koninkrijk Sosso. Sundiata vormde een machtige alliantie met andere ontevreden stamhoofden die genoeg hadden van het harde bewind van Sumanguru en versloeg de Sosso in een beslissende slag bij Krina (ook bekend als Kirina) in 1235. In 1240 veroverde Sundiata de oude hoofdstad van Ghana. Een centrale regering werd samengesteld door een vergadering van stamhoofden en een aantal invloedrijke Arabische kooplieden. Deze vergadering (gbara) riep Sundiata uit tot opperkoning en gaf hem eretitels als Mari Diata (Heer Leeuw). De naam die Sundiata gaf aan zijn rijk, op dat moment het grootste van Afrika, was Mali, wat betekent 'de plaats waar de koning woont'. Ook werd bepaald dat alle toekomstige koningen uit de Keita-clan zouden worden gekozen, hoewel de titel niet noodzakelijkerwijs aan de oudste zoon van een heerser werd gegeven, wat soms leidde tot hevige geschillen tussen de kandidaten.
De Mansa, of koning, werd gedurende de hele geschiedenis van het Mali-rijk bijgestaan door een vergadering van stamoudsten en lokale leiders, met audiënties in het koninklijk paleis of onder een grote boom. De koning vormde ook de hoogste rechtsprekende instantie, maar hij maakte wel gebruik van juridische adviseurs. Daarnaast werd de koning bijgestaan door een aantal belangrijke ministers, zoals de legerleider en de beheerder van de graanschuren (later de schatkist), evenals andere ambtenaren, zoals de ceremoniemeester en de leider van het koninklijke orkest. Niettemin trad de Mansa op als opperste vorst en monopoliseerde hij belangrijke handelsgoederen. Zo was hij bijvoorbeeld de enige die goudklompjes mocht bezitten, terwijl handelaren genoegen moesten nemen met goudstof. Aan de koning werden bepaalde mystieke eigenschappen toegeschreven en alle slaven waren uitsluitend aan hem loyaal. Niemand had bijvoorbeeld het recht om bij de koning aanwezig te zijn wanneer die at, en alle bezoekers moesten blootsvoets voor hem verschijnen, buigen en stof over hun hoofd strooien. Deze cultus rond het leiderschap en de extreme centralisatie van de regering in één persoon waren zo sterk dat het lot van het rijk steeg en daalde naargelang de talenten of het gebrek daaraan van een bepaalde koning.
Deze bestuursproblemen moesten echter nog komen en Sundiata zou zijn grondgebied blijven uitbreiden met de oude koninkrijken Ghana, Walata, Tadmekka en Songhai. Niani, dat nu niet meer bestaat maar waarschijnlijk gelegen was op een vlakte in de buurt van de het hele jaar door bevaarbare Sankarani-rivier, werd gekozen als hoofdstad van het rijk. Het werd beschermd door bergen en lag dicht bij de twee belangrijkste bronnen van handelsgoederen: bossen en waterwegen.
Er werd tribuut geïnd van veroverde stammen, hoewel veel lokale stamhoofden hun eigen volk mochten blijven besturen, maar dan met een door Mali aangestelde gouverneur om hen bij te staan, vaak ondersteund door een garnizoen. Extra garanties voor loyaliteit waren onder meer het nemen van koninklijke gijzelaars die werden vastgehouden in de hoofdstad. De federatie bloeide en ontwikkelde zich in de loop van de volgende eeuw tot een van de meest gefortuneerde rijken die Afrika ooit heeft gekend, waarvan de rijkdom zowel Europa als Arabië zou verbazen. Verder, en misschien nog belangrijker voor de gewone bevolking van Mali, werden buitenlandse bezoekers getroffen door het hoge niveau van de rechtspleging, de veiligheid waarmee men van plaats naar plaats kon reizen en de overvloed aan voedsel in alle dorpen.
Timboektoe en de handel
Net als zijn politieke voorgangers bloeide het Mali-rijk dankzij de handel en zijn uitstekende ligging, tussen de regenwouden van Zuidwest-Afrika en de machtige moslimkalifaten van Noord-Afrika. De rivier de Niger bood gemakkelijke toegang tot het binnenland van Afrika en de Atlantische kust, terwijl de door de Berbers gecontroleerde kamelenkaravanen die de Sahara doorkruisten ervoor zorgden dat waardevolle goederen uit het noorden werden aangevoerd. De heersers van Mali hadden een drievoudige inkomstenbron: ze hieven belasting op de doorvoer van handelsgoederen, kochten goederen op en verkochten ze tegen veel hogere prijzen door, en hadden toegang tot hun eigen waardevolle natuurlijke hulpbronnen. Het is veelzeggend dat het Mali-rijk de rijke gouddragende regio's Galam, Bambuk en Bure controleerde. Een van de belangrijkste handelsuitwisselingen was goudstof voor zout uit de Sahara. Er was vooral veel vraag naar goud vanuit Europese mogendheden zoals Castilië in Spanje en Venetië en Genua in Italië, waar munten werden geslagen van dit edelmetaal.
Timboektoe, rond 1100 gesticht door de nomadische Toearegs, was een semi-onafhankelijke handelshaven die het dubbele voordeel had dat het aan de bocht van de rivier de Niger lag en het beginpunt was voor de trans-Sahara-karavanen. De stad zou worden gemonopoliseerd en vervolgens overgenomen door de koningen van Mali, die er een van de belangrijkste en meest kosmopolitische handelscentra van Afrika van maakten. Via Timboektoe werden lucratieve goederen verhandeld, zoals ivoor, textiel, paarden (belangrijk voor militair gebruik), glaswerk, wapens, suiker, kolanoten (een mild stimulerend middel), granen (bijv. sorghum en gierst), specerijen, stenen kralen, ambachtelijke producten en slaafgemaakten. Goederen werden geruild of betaald met een overeengekomen handelsproduct, zoals koper of goudstaven, vaste hoeveelheden zout of ivoor, of zelfs kaurischelpen (die uit Perzië kwamen).
Mansa Musa I
Na een reeks ogenschijnlijk matige heersers beleefde het Mali-rijk zijn tweede gouden eeuw tijdens het bewind van Mansa Musa I in de eerste helft van de 13e eeuw. Met een leger van ongeveer 100.000 man, waaronder een gepantserd cavaleriekorps van 10.000 paarden, en met de getalenteerde generaal Saran Mandian wist Mansa Musa het rijk van Mali in stand te houden en uit te breiden, waardoor het grondgebied verdubbelde. Hij controleerde gebieden tot aan Gambia en het zuiden van Senegal in het westen; in het noorden werden stammen langs de hele lengte van de grensregio van de Westelijke Sahara onderworpen; in het oosten breidde de controle zich uit tot Gao aan de rivier de Niger en in het zuiden kwamen de Bure-regio en de bossen van wat later bekend werd als de Goudkust onder het toezicht van Mali. Het Mali-rijk omvatte zo veel verschillende religieuze, etnische en taalkundige groepen.
Om al deze uiteenlopende volkeren te kunnen besturen, verdeelde Mansa Musa zijn rijk in provincies die elk werden bestuurd door een gouverneur (farba) die hij persoonlijk had benoemd en die verantwoordelijk was voor lokale belastingen, justitie en het beslechten van stammenconflicten. Het bestuur werd verder verbeterd door een betere administratie, waarvan de gegevens naar de centrale regeringskantoren in Niani werden gestuurd. Met meer tribuut van meer veroverde stamhoofden, meer handelsroutes onder controle van Mali en nog meer natuurlijke hulpbronnen om te exploiteren, werden Mansa Musa en de elite van Mali immens rijk. Toen de koning van Mali in 1324 Caïro bezocht, besteedde of schonk hij zoveel goud weg dat de prijs van edelmetaal hierdoor met 20% daalde. Deze rijkdom leidde tot een eindeloze reeks geruchten dat Mali een koninkrijk was dat met goud was geplaveid. In Spanje werd rond 1375 een kaartmaker geïnspireerd om de eerste gedetailleerde Europese kaart van West-Afrika te maken, als onderdeel van de Catalaanse Atlas. Op de kaart draagt Mansa Musa een indrukwekkende gouden kroon en zwaait hij triomfantelijk met een enorm stuk goud in zijn hand. Europese ontdekkingsreizigers zouden de volgende vijf eeuwen besteden aan het zoeken naar de bron van dit goud en naar de legendarische handelsstad Timboektoe.
Verspreiding van de islam
De islam verspreidde zich via Arabische handelaren die in West-Afrika handel dreven. Bekende moslimreizigers en kroniekschrijvers zoals Ibn Battuta (1304 - ca. 1369) en Ibn Khaldin (1332-1406) vermeldden dat zelfs Sundiata, de eerste heerser van Mali, zich tot de islam bekeerde. De mondelinge overlevering van de Malinke, die door speciale barden (griots) van generatie op generatie werd doorgegeven, vertelt echter een ander verhaal. Hoewel erkend wordt dat de islam al lang vóór het bewind van Sundiata in Mali aanwezig was, houdt de mondelinge overlevering vol dat de eerste heerser van het Mali-rijk de inheemse animistische religie niet verwierp. We weten wel dat Sundiata's zoon, Mansa Uli (ook bekend als Mansa Wali of Yerelenku), in de jaren 1260 of 1270 op pelgrimstocht naar Mekka ging, en dit zou een voortdurende trend blijven bij veel van Mali's heersers.
De islam kwam in West-Afrika echter pas echt tot bloei tijdens het bewind van Mansa Musa I. Hij ging naar Mekka en was onder de indruk van wat hij daar zag. Mansa Musa nam moslimarchitecten, geleerden en boeken mee naar huis. Er werden moskeeën gebouwd, zoals de 'Grote moskee' van Timboektoe (ook bekend als Djinguereber of Jingereber), en er werden koranscholen en universiteiten opgericht die al snel internationale bekendheid verwierven. De studies waren eigenlijk veel breder dan alleen religie en omvatten ook geschiedenis, aardrijkskunde, astronomie en geneeskunde. Er werden grote bibliotheken opgebouwd met tienduizenden boeken en manuscripten, waarvan er vele vandaag de dag nog steeds bestaan.
Naarmate meer mensen zich bekeerden, werden meer moslimgeestelijken uit het buitenland aangetrokken en verspreidde de religie zich verder over West-Afrika. Veel inheemse bekeerlingen studeerden in plaatsen als Fez, Marokko, en werden grote geleerden, missionarissen en zelfs heiligen, waardoor de islam niet langer als een buitenlandse religie werd gezien, maar als een zwarte Afrikaanse religie. Ondanks de verspreiding van de islam is ook waar dat oude inheemse animistische religies bleven bestaan, vooral in plattelandsgemeenschappen, zoals opgemerkt door reizigers als Ibn Battuta die Mali rond 1352 bezocht. Bovendien werden islamitische studies in het Arabisch gegeven en niet in de inheemse talen, wat de populariteit ervan buiten de geschoolde geestelijke klasse van dorpen en steden verder belemmerde. Zelfs de islam die in Mali voet aan de grond kreeg, was een variant die afweek van de Arabische islam, misschien omdat de heersers van Mali het zich niet konden veroorloven om de inheemse religieuze praktijken en geloofsovertuigingen waaraan de meerderheid van hun volk vasthield, volledig te verwerpen.
Architectuur in Mali
De gebouwen van het Mali-rijk, waarvan sommige, zoals de Sankore-moskee in Timboektoe, nog steeds overeind staan, vormen een van de meest herkenbare kenmerken van de regio en zijn internationale symbolen geworden van de rijke prekoloniale geschiedenis van Afrika. Architecten in Mali hadden een duidelijk nadeel vanwege de schaarste aan steen in de regio. Daarom werden gebouwen meestal gebouwd met behulp van aangestampte aarde (banco), versterkt met hout dat vaak als balken uit de buitenmuren steekt. Ondanks de beperkte materialen zijn met name de moskeeën nog steeds imposante gebouwen met meerdere verdiepingen, torens, enorme houten deuren en gelaagde minaretten. Andere grote gebouwen waren pakhuizen (fondacs) die werden gebruikt om goederen op te slaan voordat ze naar elders werden vervoerd en die tot 40 appartementen hadden waar handelaren konden wonen. Andere voorbeelden van de Mali-gebouwen van gebakken leem die vandaag de dag indruk maken, hoewel veel ervan reconstructies uit het begin van de 20e eeuw zijn, zijn de enorme moskeeën in Mopti en Djenne.
Op kleinere schaal hebben opgravingen in Niani de overblijfselen van huizen en hun stenen funderingen aan het licht gebracht, wat latere bronnen bevestigt die stellen dat de rijkere leden van de samenleving stenen huizen bouwden. Arabische kroniekschrijvers beschrijven een ander type woongebouw, dat werd gebouwd met behulp van bakstenen van aangestampt leem en met plafonds van houten balken en riet, het geheel gevormd tot een kegelvormig dak. De vloeren werden gemaakt van aarde gemengd met zand.
Kunst en cultuur in Mali
We hebben al opgemerkt dat de Malinke een rijke traditie bezaten van het mondeling vertellen van legendes en gemeenschapsgeschiedenissen door gespecialiseerde verhalenvertellers, bekend als griots. Deze verhalen, die van generatie op generatie werden doorgegeven tot op de dag van vandaag, gingen vaak gepaard met muziek. Tijdens het Mali-rijk waren er zelfs liederen die waren voorbehouden aan bepaalde personen die als enigen het recht hadden om ze ter ere van hen te laten zingen, met name beroemde krijgers en jagers. Muziek was ook een belangrijk onderdeel van religieuze festivals, waar gemaskerde dansers optraden.
Aardewerk en beeldhouwwerken werden geproduceerd, zoals dat al sinds de 9e eeuw gebeurde, in bekende centra zoals Djenne. Beeldhouwwerken zijn over het algemeen maximaal 50 cm hoog en gemaakt van massief aardewerk, maar soms met een verstevigende ijzeren staaf aan de binnenkant. Hout en messing waren andere populaire materialen voor beeldhouwwerken en, in mindere mate, steen. De versieringen zijn meestal ingegraveerd, geschilderd of aangebracht door driedimensionale stukken toe te voegen. Onderwerpen zijn onder meer menselijke figuren, met name bebaarde krijgers te paard, maar ook veel knielende of gehurkte figuren met opwaarts gerichte gezichten. De figuren zijn vaak realistische afbeeldingen van gewone mensen, soms met symptomen van tropische ziekten. Hoewel het zeldzaam is dat kunstwerken uit deze periode afkomstig zijn van professioneel opgegraven vindplaatsen, zijn de beeldhouwwerken zo talrijk dat het waarschijnlijk is dat veel ervan werden gebruikt als alledaagse decoratieve voorwerpen en voor rituele of begrafenisdoeleinden.
Verval
In de 15e eeuw raakte het Mali-rijk in verval. De onduidelijke regels voor de troonopvolging leidden vaak tot burgeroorlogen, waarbij broers en ooms met elkaar vochten om de troon. Toen er elders handelsroutes werden geopend, ontstonden er in het westen verschillende rivaliserende koninkrijken, met name het Songhai-rijk. Europese schepen, met name die van de Portugezen, voeren nu regelmatig langs de westkust van Afrika, waardoor de karavanen uit de Sahara te maken kregen met hevige concurrentie om de meest efficiënte manier om goederen van West-Afrika naar het Middellandse Zeegebied te vervoeren. In 1433 werd Mali aangevallen door de Toeareg en door het Mossi-volk, dat in die tijd het gebied ten zuiden van de rivier de Niger controleerde. Rond 1468 veroverde koning Sunni Ali van het Songhai-rijk (regeerde van 1464 tot 1492) het restant van het Mali-rijk, dat nu nog slechts een klein westelijk deel van zijn eens zo grote grondgebied controleerde. Wat er van het Mali-rijk overbleef, zou in het midden van de 17e eeuw worden opgenomen in het Marokkaanse rijk.
