Griekenland is een land in zuidoost Europa, bekend in het Grieks als Hellas of Ellada en bestaat uit het vasteland en een archipel van eilanden. Het oude Griekenland is de geboorteplaats van de westerse filosofie (Socrates, Plato en Aristoteles), literatuur (Homerus en Herodotus), mathematica (Pythagoras en Euclides), geschiedenis (Herodotus), drama (Sophocles, Euripides en Aristophanes), de Olympische Spelen en democratie.
Het concept van een atomisch universum werd als eerste genoemd in het werk van Democritus en Leucippus. Het proces van de huidige wetenschappelijke methode werd voor het eerst geïntroduceerd door het werk van Thales van Milete en zij die hem volgden. Het Latijnse alfabet komt ook uit het oude Griekenland, geïntroduceerd in de regio tijdens de Fenicische kolonisatie in de 8ste eeuw v.Chr. en pionier in het vroege werk in de natuurkunde en techniek was Archimedes uit de Griekse kolonie Syracuse samen met anderen.
Het vasteland van Griekenland is een groot schiereiland aan drie zijden omgeven door de Middellandse Zee (vertakkend in het westen in de Ionische Zee en de Egeïsche Zee in het oosten), die tevens de eilanden omvat bekend als de Cycladen en de Dodekanesos (inclusief Rhodos), de Ionische eilanden (waaronder Corcyra), het eiland Kreta en het zuidelijke schiereiland bekend als de Peloponnesos.
De geografie van Griekenland was van grote invloed op de cultuur omdat zij over weinige natuurlijke bronnen beschikte en omgeven werd door het water, waardoor de mensen uiteindelijk zich tot de zee richten voor hun levensonderhoud. Griekenland wordt voor 80 procent door bergen bedekt en smalle rivieren lopen door het rotsachtige landschap dat voor het grootste deel weinig stimulans bood voor de landbouw. Als gevolg daarvan koloniseerden de vroege Grieken de nabijgelegen eilanden en stichtten nederzettingen langs de kust van Anatolië (ook bekend als Klein-Azië, hedendaags Turkije). De Grieken werd een volk van bekwame zeevaarders en handelaars die beschikten over een surplus aan grondstoffen voor het bouwen van enkele van de meest indrukwekkende bouwwerken in de oudheid.
Etymologie van Hellas
De aanduiding Hellas stamt af van Deukalion en Pyrrha die prominent voorkomen in Ovidius’ geschiedenis over de zondvloed in zijn Metamorfosen. De mythische Deukalion (zoon van de vuur-brengende titaan Prometheus) was de redder van het menselijk ras van de zondvloed op dezelfde manier als Noah voorkomt in de Bijbelse versie of Utnapishtim in de Mesopotamische versie. Deukalion en Pyrrha bevolkten het land opnieuw doordat ze stenen wierpen die veranderden in mensen, waarvan de eerste Hellen was. In tegenstelling tot de populaire overtuiging heeft Hellas en Ellada niets te maken met Helena van Troje uit de Ilias van Homerus. Ovidius heeft echter de aanduiding niet bedacht. Thucydides schrijft in Boek I van zijn Historiën:
Ik ben geneigd te denken dat de naam niet reeds aan het gehele land gegeven was en zelfs helemaal nog niet bestond voor de tijd van Hellen, de zoon van Deukalion; de verschillende stammen, waarvan de Pelasgische de meest verspreide was, gaven hun eigen namen aan de verschillende districten. Echter toen Hellen en zijn zonen machtig werden in Phthiotis werd hun hulp ingeroepen door andere steden en zij die aan hen geassocieerd waren begon men beetje bij beetje Hellenes te noemen, alhoewel een lange tijd voorbijging voordat de naam in het hele land gangbaar was. Hiervoor biedt Homerus het beste bewijs; want hij, ook al leefde hij lang na de Trojaanse Oorlog, gebruikt nergens deze naam collectief, doch slechts voor de volgelingen van Achilles uit Phthiotis, die van oorsprong Hellenes waren; waar het over allen gaat, spreekt hij over Danaoi of Argiven of Archaïers.
Vroege Geschiedenis van het Oude Griekenland
De oud-Griekse geschiedenis is het beste te begrijpen door het in te delen in tijdperken. De regio werd reeds bewoond en de landbouw was al begonnen in het Paleolithische tijdperk, hetgeen blijkt uit vondsten bij de Petralona en Franchthi grotten (twee van de oudste menselijke woonplaatsen ter wereld). Het Neolithische tijdperk (circa 6000-2900 v.Chr.) wordt gekenmerkt door permanente nederzettingen (als eerste in noord-Griekenland), het domesticeren van dieren en de verdere ontwikkeling van de landbouw. Archeologische vondsten in noord-Griekenland (onder meer in Thessalië, Macedonië en Sesklo) wijzen op een migratie vanuit Anatolië omdat de keramische kopjes, schalen en figuren die daar gevonden zijn, vergelijkbare en kenmerkende eigenschappen hebben met de Neolithische vondsten in Anatolië. Deze binnenlandse kolonisten waren voornamelijk boeren, omdat noord-Griekenland gunstiger voor de landbouw was dan elders in de regio en leefden in stenen éénkamer huizen met een dak van hout en leem.
De Cycladische Beschaving (circa 3200-1100 v.Chr.) floreerde op de eilanden van de Egeïsche Zee (waaronder Delos, Naxos en Paros) en leveren het vroegste bewijs van voortdurende menselijke bewoning in dat gebied. Tijdens het Cycladische Tijdperk werden er huizen en tempels gebouwd van afgewerkt steen en mensen van het vissen en de handel. Deze periode wordt gebruikelijk opgedeeld in drie fases: de Vroeg Cycladische, de Midden Cycladische en de Laat Cycladische Cultuur met een stabiele ontwikkeling in kunst en architectuur. De laatste twee fases overlappen elkaar en vallen uiteindelijk samen met de Minoïsche beschaving en de verschillen tussen de periodes zijn niet meer te onderscheiden.
De Minoïsche Beschaving (2700-1500 v.Chr.) ontstond op het eiland Kreta en werd al snel de dominante zeemacht in de regio. De term ‘Minoïsch’ is bedacht door Sir Arthur Evans, die het Minoïsche paleis in Knossos ontdekte in 1900 n.Chr. en de cultuur vernoemde naar de oude koning Minos van Kreta. Hoe het volk zichzelf noemde is niet bekend. De Minoïsche Beschaving was al lang voor de aanvaarde moderne tijdspanne die haar bestaan markeert welvarend, waarschijnlijk al vóór 6000 v.Chr. Dit lijkt eveneens bij de Cycladische Beschaving het geval geweest te zijn.
De Minoïsche volk ontwikkelde een manier van schrijven die bekend staat als Lineair A (dat nog niet ontcijferd is) en maakte vooruitgang in de scheepsbouw, constructie, keramiek, de kunsten en wetenschappen en oorlogsvoering. Volgens oude historici (waaronder Thucydides) was koning Minos de eerste die een vloot oprichtte waarmee hij de Cycladen koloniseerde, dan wel veroverde. Archeologisch en geologisch bewijs lijkt erop te wijzen dat de beschaving ten onderging door uitputting van het land wat leidde tot ontbossing, alhoewel traditioneel aanvaard wordt dat ze door de Mycene werd veroverd. De uitbarsting van de vulkaan op het nabijgelegen eiland Thera (hedendaags Santorini) tussen 1650 en 1550 v.Chr. en de tsunami die daarvan het gevolg was wordt gezien als de definitieve ondergang van het Minoïsche volk. Kreta werd overspoeld en de steden en dorpen werden vernietigd. Deze gebeurtenis wordt regelmatig gezien als de inspiratie voor Plato voor zijn mythe over Atlantis in zijn dialogen Critias en Timaeus.
De Myceners en hun Goden
De Myceense Beschaving (ongeveer 1900-1100 v.Chr.) wordt gewoonlijk gezien als het begin van de Griekse cultuur, ondanks dat we nauwelijks iets weten over de Myceners buiten wat vastgesteld is door archeologische vondsten en door het verslag van Homerus over hun oorlog met Troje zoals vastgelegd in de Ilias. Voornamelijk wegens hun vooruitgang op het gebied van architectuur, de ontwikkeling van het schrift (bekend als Lineair B, een vroege vorm van het Grieks, afstammend van het Minoïsche Lineair A) en de instelling of verbetering van religieuze riten wordt aan hen de vorming van de cultuur toegeschreven. De Myceners lijken erg beïnvloed te zijn door de Minoïsche bevolking van Kreta in hun aanbidding van aardgodinnen en hemelgoden, dat in de loop van de tijd het klassieke Griekse pantheon zou worden.
De Griekse mythologie voorzag in een solide paradigma wat betreft de schepping van het universum, de wereld en de mensheid. Een vroege mythe vertelt hoe in het begin er niets was buiten chaos in de vorm van oneindige wateren. Vanuit deze chaos kwam de godin Eurynome voort en scheidde het water van de lucht en begon haar scheppingsdans met de slang Ophion. Uit hun dans kwam de gehele schepping voort en Eurynome was oorspronkelijk de Grote Moeder Godin en Schepster van Alle Dingen.
Tegen de tijd dat Hesiodos en Homerus schreven (8ste eeuw v.Chr.) wat dit verhaal veranderd in de meer familiaire mythe over de Titanen, de oorlog tegen hen en de geboorte van de Olympische Goden met Zeus als hun leider. Deze draai is een indicatie van de beweging van een matriarchale religie naar een patriarchaal paradigma. Welk model men dan ook volgde, er bestond een duidelijke en regelmatige wisselwerking tussen de goden en de mensen die hen vereerden en waren een groot deel van het dagelijks leven in het oude Griekenland. Voor de komst van de Romeinen was de enige weg op het Griekse vasteland dat geen koeien-pad was de Heilige Weg die liep tussen de stad Athene en de heilige stad Eleusis, de geboorteplaats van de Mysteriën van Eleusis ter verering van de godin Demeter en haar dochter Persephone.
Tegen 1100 v.Chr., omstreeks de Ineenstorting van de Bronstijd, waren de grote Myceense steden van zuidwest Griekenland verlaten en volgens sommigen werd hun beschaving vernietigd door een invasie van Dorische Grieken. Archeologisch bewijs is niet overtuigend over hetgeen leidde tot de val van de Myceners. Aangezien geen geschreven bronnen over deze periode bewaard gebleven zijn (of nog gevonden moeten worden) kan men slechts speculeren over de oorzaken. De tabletten met Lineair B schrift die tot nu toe gevonden zijn bevatten alleen lijsten van goederen die via de handel geruild werden of in voorraad werden gehouden. Het lijkt echter duidelijk dat na wat bekend staat als de Duistere Eeuwen (ongeveer rond 1100-800 v.Chr., zo genoemd door de afwezigheid van geschreven documentatie) de Griekse kolonisatie aan de gang was in een groot deel van Klein-Azië en de eilanden rond het vasteland van Griekenland en men significante culturele vooruitgang begon te maken. Dit begon met Thales van Milete, de eerste Griekse filosoof die rond 585 v.Chr. bezig was met wat tegenwoordig wordt erkend als wetenschappelijk onderzoek aan de kust van Klein-Azië en deze regio van Ionische koloniën zou significante doorbraken maken in de Griekse filosofie en mathematica.
Van het Archaïsche tot het Klassieke Tijdperk
Het Archaïsche Tijdperk (800-500 v.Chr.) wordt gekarakteriseerd door de introductie van republieken in plaats van monarchieën (die in Athene zich ontwikkelde tot een democratische heerschappij) georganiseerd als één enkele stadstaat of polis, door de instelling van wetten (Draco’s hervormingen in Athene), de organisatie van het grote Pan-Atheense Festival, kenmerkende Griekse keramiek en Griekse sculpturen en de eerste munten die werden op het eiland-koninkrijk Aegina geslagen. Dit maakte vervolgens de weg vrij voor de bloei in het Klassieke Tijdperk in het oude Griekenland van 500-400 v.Chr., of, nauwkeuriger, van 480-323 v.Chr. vanaf de Griekse overwinning tijdens de Slag bij Salamis tot de dood van Alexander de Grote. Dit was de Gouden Eeuw van Athene, toen Perikles begon aan de bouw van de Akropolis en zijn beroemde grafrede hield voor de mannen die waren gestorven ter verdediging van Griekenland gedurende de Slag bij Marathon in 490 v.Chr. Griekenland bereikte gedurende deze periode grote hoogtes op bijna elk gebied van het menselijk leren en de grote denkers en artiesten van de Oudheid (Phidias, Plato, Aristophanes om er slechts drie te noemen) floreerden. Leonidas en zijn 300 Spartanen vielen bij Thermopylae en in hetzelfde jaar behaalde Themistocles de overwinning op de superieure Perzische vloot bij Salamis wat leidde tot de definitieve nederlaag van de Perzen tijdens de Slag van Plataea in 479 v.Chr.
Democratie (letterlijk Demos = volk en Kratos = macht, derhalve macht van het volk) werd ingevoerd in Athene en gaf een stem aan alle mannelijke burgers boven de leeftijd van twintig in de Griekse regering. De Pre-Socratische filosofen, die het voorbeeld van Thales volgden, begonnen met wat de wetenschappelijke methode zou worden door natuurlijke verschijnselen te onderzoeken. Mannen als Anaximander, Anaximenes, Pythagoras, Democritus, Xenophanes en Heraclitus lieten het theïstische model van het universum achter zich en streefden ernaar om de onderliggende, eerste oorzaak van het leven en het universum te ontdekken.
Hun opvolgers, onder wie Euclides en Archimedes bleven de Griekse wetenschap en het filosofisch onderzoek vooruit helpen en stelden mathematiek in als een serieuze discipline. Het voorbeeld van Socrates en de geschriften van Plato en Aristoteles na hem zijn meer dan 2000 jaar van invloed geweest op de westerse cultuur en maatschappij. Dit tijdperk kende ook vooruitgang in de architectuur en kunst door een beweging van het ideale naar het realistische. Beroemde werken van de Griekse beeldhouwkunst zoals de Parthenonfriezen en de Diskobolos (de discuswerper) dateren uit deze tijd en laten in het kort de interesse van de artiest zien in het afbeelden van menselijke emotie, schoonheid en realistische prestaties, zelfs als die kwaliteiten worden weergegeven in werken over de onsterfelijken.
Al deze ontwikkelingen werden mogelijk gemaakt door de opkomst van Athene na de overwinning op de Perzen in 480 v.Chr. De vrede en vooruitgang die op de Perzische nederlaag volgde zorgde voor de financiële middelen en stabiliteit die de cultuur tot wasdom brachten. Athene werd de supermacht van haar tijd en was met de sterkste marine in staat schatting te eisen van andere stadstaten en aan hen haar wil op te leggen. Athene vormde de Delische Bond, een defensief bondgenootschap waarvan het aangegeven doel was om de Perzen af te schrikken van verdere vijandelijkheden.
De stadstaat Sparta twijfelde echter aan de Atheense oprechtheid en vormde haar eigen verbond tegen haar vijanden, het Peloponesisch Verbond (vernoemd naar het Peloponesische gebied waar Sparta en de anderen waren gevestigd). De stadstaten die aan de kant van Sparta stonden zagen Athene steeds meer als bullebak en tiran, terwijl de steden aan de zijde van Athene Sparta en haar bondgenoten met steeds meer wantrouwen zagen. De spanning tussen de twee partijen kwam uiteindelijk tot uitbarsting tijdens wat bekend is komen te staan als de Peloponesische Oorlogen. Het eerste conflict (circa 460-445 v.Chr.) eindigde in een wapenstilstand en voortdurende welvaart voor beide partijen, het tweede conflict liet Athene verwoest achter en de overwinnaar Sparta raakte bankroet na haar langdurige oorlog met Thebe.
Over het algemeen wordt deze tijd aangeduid als de Late Klassieke Periode (circa 400-330 v.Chr.). Het machtsvacuüm dat was ontstaan dat was ontstaan werd opgevuld door Philippos II van Macedonië (382-336 v.Chr.) na zijn overwinning op de Atheense strijdkrachten en hun bondgenoten tijdens de Slag bij Chaeronea in 338 v.Chr. Philippos verenigde de Griekse stadstaten onder Macedonische heerschappij en na zijn moord in 336 v.Chr. nam zijn zoon Alexander de troon over.
Alexander de Grote & de Komst van Rome
Alexander de Grote (356-323 v.Chr.) zette de plannen van zijn vader voort voor een grootschalige invasie van Perzië als vergelding voor de inval van Griekenland in 480 v.Chr. Aangezien zowat heel Griekenland onder zijn bevel stond, beschikte hij over een staand leger van aanzienlijke grote en kracht en een volle schatkist en hoefde Alexander geen rekening te houden met bondgenoten noch ten rade te gaan bij wie dan ook over zijn plannen voor de invasie en hij leidde zijn leger naar Egypte door Klein-Azië, Perzië en uiteindelijk naar India. In zijn jeugd was hij onderwezen door Plato’s grootste leerling Aristoteles met als gevolg dat Alexander de idealen van de Griekse beschaving zou verspreiden middels zijn veroveringen en bracht daarmee de Griekse kunst, filosofie, cultuur en taal over op elk gebied waarmee hij in contact kwam.
In 323 v.Chr. stierf Alexander en zijn enorme rijk werd verdeeld onder vier van zijn generaals. Dit was het begin van wat voor historici bekend is komen te staan als de Hellenistische Periode (323-31 v.Chr.) waarin het Griekse gedachtegoed en cultuur dominant werd in verschillende regio’s onder invloed van deze generaals. Na de Diadochen-oorlogen (de opvolgers zoals de generaals van Alexander bekend kwamen te staan) stichtte Antigonos I de Dynastie der Antigoniden in Griekenland die hij vervolgens kwijtraakte. De dynastie werd door zijn kleinzoon Antigonos II Gonatas in 276 v.Chr. herwonnen, die het land regeerde vanuit zijn paleis in Macedonië.
De Romeinse republiek raakte steeds meer betrokken in de Griekse aangelegenheden tijdens deze periode en versloegen in 168 v.Chr. Macedonië tijdens de Slag bij Pydna. Na deze datum kwam Griekenland geleidelijk steeds verder onder de invloed van Rome. In 146 v.Chr. werd het gebied aangemerkt als protectoraat van Rome en Romeinen begonnen Griekse mode, filosofie en, tot op zekere hoogte, het sentiment na te volgen. In 31 v.Chr. annexeerde Octavianus Caesar het land als een provincie van Rome na zijn overwinning op Marcus Antonius en Cleopatra tijdens de Slag bij Actium. Octavianus werd Augustus Caesar en Griekenland werd onderdeel van het Romeinse Rijk.
